Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Nu op Klara:

Een klavertjevier op bestsellermaat

Een klavertjevier op bestsellermaatKunst & Cultuur

Christophe Vekeman las 'Vaak ben ik gelukkig' van de Deense Jens Christian Grondahl, verschenen bij Meulenhoff. Erg beklijvend vindt hij het niet.
Jens Christian Grondahl, Vaak ben ik gelukkig, Meulenhoff

Jens Christian Grondahl, Vaak ben ik gelukkig, Meulenhoff

Het nieuwe boek van de Deense, in 1959 geboren Jens Christian Grondahl, één van de veelverkopende schrijvers van deze wereld – zijn vorige roman, Portret van een man, was onder meer ‘Boek van de Maand’ in de druk bekeken Nederlandse praatshow De Wereld Draait Door – heet Vaak ben ik gelukkig, een titel die mij meteen deed denken aan een vroeg boek van Herman Brusselmans, namelijk Heden ben ik nuchter – zelfs het aantal lettergrepen is hetzelfde. Een en ander krijgt bovendien een nog veel Brusselmansiaanser karakter als je de dichtregels leest, van B.S. Ingemann, waaraan de titel ontleend is en die als motto van het boek fungeren: ‘Vaak ben ik gelukkig en zou ik toch graag huilen / Omdat geen enkel hart mijn geluk volledig deelt’.

Op het motto volgen, zoals dat gaat, de openingszinnen van de roman, en die luiden als volgt: ‘Nu is jouw man ook dood, Anna. Jouw man. Onze man.’ Een aantrekkelijk begin, dat onmiddellijk de nieuwsgierigheid weet te prikkelen door heel wat vragen op te roepen: wie is Anna, wie is er behalve haar man blijkbaar nog gestorven, en hoe komt het dat haar man ook de ‘onze’ genoemd wordt?

Al te lang dienen wij gelukkig niet te wachten op de beantwoording van deze kwesties, en vrij snel wordt dus duidelijk hoe de vork juist aan de steel zit. Aan het woord is ene Ellinor, en de man die zopas is overleden door op achtenzeventigjarige leeftijd in elkaar te zakken onder de douche, is haar echtgenoot Georg. Hij was haar tweede echtgenoot: haar eerste man heette Henning, en het was ten tijde van dat eerste huwelijk van Ellinor dat zij beiden Georg en diens toenmalige vrouw, de genaamde Anna, leerden kennen, waarna de twee stellen ‘al snel een met elkaar vergroeid klavertjevier’ werden. ‘Wij trouwden,’ legt Ellinor uit, ‘en niet lang daarna kwam er een appartement vrij in het huizenblok tegenover jou en Georg. (…) We liepen in en uit bij elkaar en het is waarschijnlijk regelmatig voorgekomen dat jij en Henning toevallig alleen waren, bij jullie of bij ons. Ik heb die gedachte nooit gehad.’

Jens Christian Grondahl

Jens Christian Grondahl

In weerwil, echter, van dit gebrek aan achterdocht van de kant van Ellinor, zijn haar man Henning en Anna wel degelijk een overspelige relatie aangegaan, die duurde totdat zij gevieren op skivakantie gingen en Henning en Anna samen omkwamen in een lawine. Waarop de beide achterblijvers, Ellinor en Georg, op hun beurt een stel gingen vormen en trouwden. Het hele boek is dus een monoloog die uitgesproken wordt, of neergeschreven, ten aanzien van een vrouw aangaande wie met recht wordt vastgesteld: ‘Je hoort niet wat ik zeg, dat is het ergste. Je herinnert je niets, je bestaat niet.’ Wat het voordeel biedt dat de vertelster nooit een blad voor de mond hoeft te nemen, nooit op haar woorden dient te letten en een goudeerlijke, soms zelfs messcherpe analyse kan maken van wat er gebeurd is, van hoe haar huwelijk met eerst Henning en later Georg is verlopen, hoe haar relatie met de kinderen van Georg en Anna was toen Georg nog leefde en hoe die is veranderd sinds hij dood is et cetera. Dat doet ze overigens – of dat doet Grondahl – in een zeer bevattelijke, degelijke stijl, waarbij vragen of zinnen als ‘Wanneer verandert liefde in de herinnering aan een gevoel, is het niet langer het gevoel zelf?’ of ‘Zelfhaat is een geslachtelijk bepaald gevoel, bij een man maakt het hem tot een slappeling, bij een vrouw is het een natuurwet dat ze zich tekort voelt schieten’ niet geschuwd worden. Knap is bijvoorbeeld ook een passage als de volgende, over hoe sommige mensen zich gedragen tegenover iemand die in verse rouw verkeert: ‘Ik mag huilen, graag zelfs, zodat ze mij kunnen laten zien dat ze mijn ontroostbaarheid aankunnen. Er is blijkbaar niets zo zuiverend voor het gevoel van eigenwaarde als helemaal aan de afgrond van andermans verdriet gaan staan en laten zien dat je niet duizelig wordt.’

Grondahl mikt schaamteloos maar ook erg effectief op herkenbaarheid en grossiert bijgevolg in goed en slim geformuleerde algemeenheden.
Christophe Vekeman

Juist dergelijke passages of uitspraken zijn het ook die in al hun sarcasme niettegenstaande de vergelijking met Herman Brusselmans alsnog volledig mank laten lopen: is Brusselmans een schrijver die de lezer keer op keer te lijf gaat door hem met zijn – Brusselmans’ – strikt persoonlijke, bewust onbuigzame wereldbeeld te confronteren, dat je te nemen of te laten hebt, dan mikt Grondahl juist schaamteloos maar ook erg effectief op herkenbaarheid vanwege het grote publiek dan wel de doorsnee mens en grossiert hij bijgevolg, zou je kunnen zeggen, in goed en slim geformuleerde algemeenheden. Dat verklaart ongetwijfeld ook zijn succes. Maar wellicht is het eveneens de verklaring van het feit dat Vaak ben ik gelukkig niet echt beklijft: over een week of vier à vijf zal ik dit aardige boekje, vrees ik, goeddeels vergeten zijn. 

Christophe Vekeman

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn nodigt een ‘guest of honour’ uit en laat ook andere gasten aan de studiotafel plaats nemen. Alles voor de Kunst!

Presentatie: Chantal Pattyn

Contact: pompidou@klara.be

Pompidou wordt als podcast aangeboden.