Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Nu op Klara:

Pat Donnez kiest poëzie

Pat Donnez kiest poëzieKunst & Cultuur

Op Gedichtendag leest Pat Donnez een eigenzinnige keuze voor uit de poëzie die hem ook na vele malen herlezen blijft achtervolgen. Van Espresso tot Late Night. Herlees de gedichten hier.
Gedichtendag is het startschot van de Poëzieweek

Gedichtendag is het startschot van de Poëzieweek

In Espresso bracht Pat drie korte gedichten van Richard Minne:


Melancholie

Ik wenschte snul te zijn of genie.

Nu hang ik tusschen beiden.

Vandaar het eeuwig verbeiden,

en de uitkomst melancholie.

 

Marines

De zee is idioot:

wat water, een boot

en even later

een boot en wat water.

 

De zee is idioot:

de boot in het water

en even later

het water in de boot.

 

Gogol

Ik lees Gogol. Hij is groot.

Hij spreekt van liefde en van dood,

en dat de mensen klein zijn

en voor elkaar venijn zijn

en dat, trots alles, dit leven

nog hoog staat aangeschreven.

Pat 1

In Klassiek Leeft was het tijd voor een klassieker: Martinus Nijhoff.

De wolken

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Languit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag

En ik riep: Scandinavië, en eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide

Pat en Martinus Nijhoff

In Promenade nam Pat ons mee naar de rafelranden van Parijs, met 'Chez la fleuriste' van Jacques Prévert. Hier volgt de Nederlandse vertaling van Marcel Wauters:

BIJ DE BLOEMISTE

de man komt bij een bloemiste binnen
en kiest enkele bloemen
de bloemiste wikkelt de bloemen in papier
de man tast met zijn hand in zijn zak
om het geld te zoeken
het geld om de bloemen te betalen
maar hij tast tevens
zeer snel
met zijn hand naar zijn hart
en hij valt

terwijl hij valt
rolt het geld over de grond
en dan vallen de bloemen
samen met de man
samen met het geld
en de bloemiste staat daar
met het geld dat rolt
met de bloemen die breken
met de man die sterft
dat alles is natuurlijk zeer treurig
en zij moet iets doen
de bloemiste
maar zij weet niet hoe
zij weet niet
hoe te beginnen
er valt zoveel te doen
met deze man die sterft
de bloemen die breken
en het geld
het geld dat rolt
dat niet ophoudt te rollen

 

 

Pat en Jacques Prévert

In Maestro was tijd voor een gedicht van Boris Pasternak. Het scheelde niet veel, of de auteur van Dokter Zhivago was componist geworden. Hij was goed bevriend met Rachmaninov en Skriabin. Uiteindelijk stortte hij zich op het schrijven, omdat hij zich als muzikant net niet goed genoeg waande.

Uit Pasternaks laatste bundel 'Wanneer het opklaart' koos Pat: 

De Nobelprijs

Als een dier ben ik in ’t nauw gedreven.

Ergens in een licht, zijn mensen vrij.

Maar het jachtsignaal is al gegeven,

En een uitweg is er niet voor mij.

 

Hier de vijverrand, daar donkere bomen,

En een den die mij de pas afsnijdt.

’t Is niet mogelijk hier weg te komen.

Wat de toekomst brengt, dat leert de tijd.

 

Welk vergrijp dwingt om me te verschuilen,

Ben ik soms een schurk, een bajesklant?

Heel de wereld heb ik laten huilen

Om de schoonheid van mijn vaderland.

 

En zelfs nu de dood mij haast komt halen

Ben ik vol vertrouwen,: mettertijd

Zal de geest van goedheid zegepralen

Over kwaad en ongerechtigheid

Pat en Boris Pasternak

In Pompidou bracht Pat een gedicht van Menno Wigman mee. Een feestbederver in de Poëzieweek. Iedereen waagt zich op zijn zestiende aan gedichten, maar alleen wie 'ziek en mensenschuw' is gaat er op volwassen leeftijd mee door.

Slauerhoff

Je zult maar zestien zijn en lelijk. Jij bent het.
Maar je wilt dichter worden, melkt de woorden van
Rimbaud en Baudelaire en slurpt je moeders soep
onder vijandig licht. En 's avonds op je kamer
zit je je ouders tegen de vlakte te schrijven,
je dicht en heerst in het geniep over het leven,
een lelijk joch met een duivel tussen zijn dijen
dat ooit de mooiste meisjes zal berijden –
ja en je hand die nu zo woest papier bekrast
houdt op een dag een vlammend boekwerk vast.
Je naam in druk, de schoonheid van een vrouw: het komt,
het komt. Je bent een dichter nu en haast elk meisje
trapt erin. Gretig ben je, slordig met geluk.
Je leeft. Leeft niet. Schuilt steeds verscheurd in een gedicht
en haalt pas adem als je gure schoonheid ziet.
En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

 

En in Late Night is het woord aan Hugo Claus:

 Kwartet Opus 132

38 jaar oud luister ik. Tot een jaar geleden
hoorde ik meer – hoe moet ik hakkelen?- de stem van de tijd.

Beethoven schreef toen hij naar het platteland ging
bij Baden: “Ik wil niets anders dan gezond”.

Thermoblazers met het geruis van de branding uitgedaan.
Iets als eerbied. Tot een jaar geleden
had ik de hand niet gedrukt van wie zei: eerbied.

De 4e beweginging. Runes van de tijd, en daarin: eksters.

Buiten: een traktor, gemekker van schapen
(nog niet gevoerd vandaag)(de ram klaar voor het mes!)

In de 4de beweging, tussen dood en sclerose,
zingt iemand over een ding dat in mijn kleren zit,
een oponthoud, een streling,
de dans van een gewapend kind.

Wat ben ik tussen mond en aars?
Een zwelling, geloof ik. Iets dat uit haar schoot viel
en nu rolt naar een gat in de grond,
en nog wat natrapt in de damp van het versgemaaide gras.

Uit: Van horen zeggen