Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Christophe Vekeman leest Felix Timmermans

Christophe Vekeman leest Felix TimmermansKunst & Cultuur

Oude koek of een klassieker van wereldformaat? Christophe Vekeman las Boerenpsalm van Felix Timmermans en is overtuigd: 'Wat een geweldig meeslepend en aangrijpend en niet of nauwelijks terzijde te leggen literair meesterstuk'.

Absoluut te herontdekken volgens Christophe Vekeman: Boerenpsalm van Felix Timmermans

Bart Van Loo is een fijne kerel en een prima schrijver die nog rapper en radder kan ratelen dan zelfs van een razend knappe rasverteller als hij mag worden verwacht, daarover zijn wij het eens met elkaar, maar de geschiedenis van míjn leven zal hij niettemin in de eerste plaats ingaan als degene die mij Boerenpsalm van Felix Timmermans heeft doen lezen: ongetwijfeld is het voor een goed deel aan de schrijver van onder meer De Bourgondiërs te danken, die immers een mooie inleiding schreef bij het boek, dat de nieuwe, door Koen Broucke geïllustreerde uitgave door het Davidsfonds van Boerenpsalm zoveel aandacht heeft weten te verwerven en bijgevolg ook de aandacht van ondergetekende trok.

Ik ben hem dankbaar, Bart, ik ben blij, en ik ben ook een beetje beschaamd en een weinig spijtig gestemd, want ik ben verdorie een schrijver en een veellezer van bijna vijftig jaar en verkeerde niettemin decennialang in de waan dat in de Vlaamse letterkunde van vóór 1950 Willem Elsschot eenzaam aan de top stond. Al die tijd was ik, besef ik nu, een verdwaasd, dolend stuk onbenul.

Want wat een boek is Boerenpsalm, wat een geweldig meeslepend en aangrijpend en niet of nauwelijks terzijde te leggen literair meesterstuk is deze monoloog uit 1935, waarin de genaamde Wortel zowel in de slotregel als in de tweede paragraaf reeds God dankt omdat hij als boer op de wereld mag zijn. Boerenpsalm is dan ook een boek dat doordesemd is van religie, terwijl het verhaal vol miserie, erotiek, afgunst en achterdocht tezelfdertijd wel degelijk oneindig veel aardser dan hemels moet worden genoemd.

Wellicht is het in de allereerste plaats een amoureuze roman, met als twee belangrijkste liefdesobjecten de vrouw en het veld. ‘Ge houdt ervan,’ vertelt Wortel ons aangaande dat laatste, ‘en ge weet niet waarom.’ Al is de lijn tussen liefde en haat niet altijd even duidelijk, zoals uit het vervolg blijkt: ‘Want alles fijn nagegaan, mijnheer pastoor heeft gelijk, als hij zegt dat het veld een soort van vijand is, een reus, zegt hij, die ons dag in, dag uit tegenwerkt.’

Op dezelfde (tweede) pagina van de roman blijkt overigens meteen ook dat niet enkel tussen haat en liefde, maar zelfs tussen vrouw en veld de grens niet altijd even scherp kan worden getrokken: ‘het veld is in mijn gedacht geen reus, maar een reuzin, zo’n heel groot vrouwmens waar ’t eind aan verloren is. Haar gezicht is de lucht. Zij verlokt u. Ge loopt over haar lijf, ge kruipt over haar lijf. Natuurlijk ze werkt u tegen lijk alle vrouwen. Dat is ’t goed ervan.’

Koppel daaraan de voornoemde liefde die ook de Heer wordt toegedragen – al wordt Hij behalve bedankt ook dikwijls vervloekt – en het zal algauw duidelijk worden dat wij hier te maken hebben met een boek dat bulkt van een complex soort mysticisme dat de hemel zeker niet óp maar ín de aarde situeert, dat de ondoorgrondelijkheid van God tracht te pareren door consequent het heilige laag bij de grond te zoeken, en dat hooggestemde verlangens en gevoelens van eerbied terugvindt, somtijds, in de laagste lusten. ‘De grond zal rood zien van ’t bloed als ge mijn lief niet wordt!’ dreigt de jonge Wortel zijn aanstaande, Fien genaamd, uit wier schoot later de ‘kinderen rollen als rapen’, zodat God zich andermaal kan openbaren in iets wat zowel geliefd als gehaat wordt: ‘Van dan af zijt ge de slaaf van ’t veld, zoals ge de slaaf zijt van uw kinderen. (…) Ze zijn uw last, uw zorg. Ze houden u arm en metselen u in een toren van kommer. (…) ge zoudt ervoor in ’t vuur lopen, en soms zoudt ge ze de kop inslaan van razernij.’

Het samenvallen van blinde woede en grenzeloze liefde komt overigens ook tot uiting in het houten Christusbeeld waar Wortel jarenlang in zijn schaarse vrije tijd consciëntieus aan zwoegt en snijdt en waarmee hij zich van lieverlede identificeert, ‘omdat een mens door al zijn miserie zowat op Onze Lieve Heer begint te gelijken’, totdat hij vlak voor de voltooiing van zijn werk de zaak verknoeit door, op het moment dat hij de puntjes op de i wil zetten, de zoon van de alziende God domweg de ogen uit het gezicht te kerven…

Soms zijn de tragiek en de ellende die door Timmermans tot leven worden geroepen haast van een al te heftig karakter, zodat je de neiging voelt om kwaad op de schrijver te worden, maar ook in die gevallen lees je niettemin ademloos door, onveranderlijk gegrepen en bemoedigd door het vitalisme van de Godsvruchtige, bulderend vloekende Wortel, deze vader van elf die op zeker ogenblik vier kinderen en twee vrouwen verloren heeft, maar nooit voorgoed het hoofd laat hangen en zich tot instemming van elke lezer, of althans tot de mijne, troost met de ware woorden van de pastoor: ‘Het is niet omdat gij boer zijt, dat gij verdriet en ellende hebt, maar omdat gij mens zijt. (…) Waar mensen zijn is verdriet. Dat heeft Adam ons gelapt.’

Christophe Vekeman

Boerenpsalm van Felix Timmermans is verschenen bij Davidsfonds, met een inleiding van Bart Van Loo, illustraties van Koen Broucke en een nawoord van Gaston Durnez

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Heleen Debruyne brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Heleen Debruyne

Samenstelling: Chantal Pattyn

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.