Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Christophe Vekeman leest Fleur Jaeggy

Christophe Vekeman leest Fleur JaeggyKunst & Cultuur

Ongemakkelijk werk, maar wel virtuoos geschreven. Christophe Vekeman is helemaal weg van de Zwitserse schrijfster Fleur Jaeggy. Ze schreef een striemend boek over amoureuze vriendschappen op een meisjeskostschool.

Christophe Vekeman krijgt niet genoeg van het werk van Fleur Jaeggy

Eerder besprak ik van de Zwitsers-Italiaanse schrijfster Fleur Jaeggy in Pompidou de boeken Ik ben de broer van XX en SS Proleterka, over welke boeken ik bij die gelegenheid nogal in de wolken was, dus ook de nieuwe Nederlandse vertaling van wat haar bekendste roman heet te zijn, wekte natuurlijk mijn lezersinteresse.

De gelukzalige jaren van tucht heet de roman, die oorspronkelijk verscheen in 1989, en hij bevestigt inderdaad opnieuw dat Jaeggy een ijzersterke toon heeft en, al zou ze het proberen, eenvoudigweg niet slecht kán schrijven. Met name de buitengewoon economische manier waarop zij de sfeer creëert die voor haar werk zo typisch is, maakt onverminderd indruk.

Kijk gewoon maar naar de eerste zinnen: ‘Op mijn veertiende zat ik op een kostschool in Appenzell. Een omgeving waar Robert Walser vaak had gewandeld toen hij in het gesticht verbleef, in Herisau, niet ver van ons internaat. Hij stierf in de sneeuw.’

Meer dan een handvol regels heeft deze schrijfster niet nodig, zoals wij zien, om 1) aan te duiden waarover haar boek zal gaan, namelijk de tijd dat zij haar tienerjaren doorbracht op een kostschool, 2) met Robert Walser zowel de literatuur als de waanzin als de dood in haar vertelling te introduceren, en 3) door dat laatste zinnetje, het onderkoelde ‘Hij stierf in de sneeuw’, zichzelf neer te zetten als een soort van ijskoud gevoelsmens, een vrouw die emoties zoals die min of meer gedeeld worden door het gros van de mensen allesbehalve vanzelfsprekend en niet bepaald aantrekkelijk vindt.

 

Fleur Jaeggy

Dat laatste blijkt trouwens uit zowat elke alinea in dit wederom uitzonderlijk streng gestileerde boek, bijvoorbeeld wanneer de ik-figuur beschrijft hoe op een dag onder het middageten op die kostschool waar zij zit een nieuw meisje binnenkomt: ‘Ze was vijftien, had glanzend haar, steil als een lemmet, een duistere, strakke, ernstige blik. (…) Ze sprak met niemand. Haar gelaatstrekken waren die van een standbeeld, hooghartig. Misschien wilde ik haar daarom veroveren. Ze had niets menselijks.’

Frédérique heet dit vleesgeworden enigma, en de beiden knopen met elkaar aan wat ‘een amoureuze vriendschap’ genoemd wordt, iets wat op de kostschool niet ongebruikelijk schijnt te zijn, mede door de afwezigheid van jongens en mannen. ‘Ze was absoluut volmaakt,’ lezen wij, en in de loop van het boek, waarin de vertelster veel later terugkijkt op een en ander, blijkt zij tevens onvergetelijk te zijn geweest…

Het neemt niet weg dat wanneer er wéér een nieuw meisje verschijnt, een roodharige die wat op Rita Hayworth lijkt en luistert naar de naam Micheline, de ik-figuur haar liefdesvriendin een weinig begint te verwaarlozen, opzettelijk zelfs, wat de vraag in haar oproept: ‘Was ik soms Frédérique aan het straffen voor mijn liefde voor haar?

Aan Micheline als nieuwe beste vriendin kleven immers nogal wat kleine gebreken, bij nader inzien. Akkoord, ze is altoos goedgehumeurd en een pak minder koudbloedig dan Frédérique, maar: ‘Ze is zich er niet van bewust dat vrolijkheid een gruwel kan worden.’ 

Al zou ze het proberen, Fleur Jaeggy kan eenvoudigweg niet slecht schrijven.

Het moge duidelijk zijn: in de wereld van Fleur Jaeggy is er niets zo terneerdrukkend of de keerzijde van de zwarte medaille is nog een pak deprimanter, en met haar hang naar wellust die te vinden is in het gehoorzamen en in de vernedering van anderen én van zichzelf, doet haar werk denken aan dat van Elfriede Jelinek en natuurlijk ook Dostojewski, terwijl de boze complexiteit van meisjesvriendschappen eveneens een thema is van de Belgische Amélie Nothomb – het kan haast niet anders of Jaeggy kent in deze laatste een fervent bewonderaarster.

Zal de doorsnee lezer deze bewondering delen? Op zich misschien wel, al is de vraag nog maar hoe gretig hij daarnaast dit boek daadwerkelijk verslinden zal. Neem deze passage: ‘Wrok lijken de opvoeders wel te koesteren, onderhuids en in de toon van hun stem, een wrok, durven we te stellen, tegen de mensheid in het algemeen. En misschien zijn de opvoeders juist wel dankzij die wrok in wezen goede opvoeders.’

De meeste mensen zullen, nu zij het zo zegt, wel weten wat Jaeggy hier bedoelt, maar lang niet iedereen zal even graag bereid zijn om haar ongemakkelijk stemmende manier van kijken te delen of te onderschrijven. Dat maakt dit proza uiteraard bijzonder specifiek, en dat zorgt er ook voor dat het werk van Jaeggy voor een klein publiek is bestemd: voor mensen die niet bang zijn voor de waanzin en zich gek genoeg zelfs comfortabel voelen wanneer zij zich opgesloten weten in zichzelf. Voor die beperkte groep mensen kan Fleur Jaeggy niet anders zijn dan een heldin. 

Christophe Vekeman

De gelukzalige jaren van tucht van Fleur Jaeggy is verschenen bij Koppernik
Uit het Italiaans vertaald door Annegret Böttner en Leontine Bijman

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Heleen Debruyne

Samenstelling: Chantal Pattyn

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.