Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Christophe Vekeman leest Mary Dorna

Christophe Vekeman leest Mary DornaKunst & Cultuur

Wie was in godsnaam Mary Dorna? Sinds haar dood in 1971 is de Nederlandse schrijfster in de vergetelheid geraakt. En daar was ze volgens Christophe Vekeman beter gebleven, ook al is er nu een mooie heruitgave van haar werk.

Christophe Vekeman heeft al betere verhalen gelezen dan die van Mary Dorna

Op 5 november 1891 werd in Neerlands hoofdstad geboren: Mary Jeanette Stoppelman. Vaak wordt zo’n inleidende zin dan gevolgd door de woorden ‘beter bekend als’, maar dat zou in dit geval niet zo heel erg gepast zijn, veronderstel ik, want wie in Vlaanderen heeft er ooit van ‘Mary Dorna’, de naam waaronder Stoppelman publiceerde, gehoord?

Toch genoot zij bij leven – ze stierf in 1971 – een zekere faam, en onder meer Simon Carmiggelt roemde haar en vond dat zij in literair-kwalitatief opzicht zowaar thuishoorde in de categorie van niemand minder dan J.H.F. Grönloh, beter bekend, jawel, als Nescio.

Wie het zopas heruitgegeven Laten we vader eruit gooien leest, op de achterflap waarvan Carmiggelts mening in dezen afgedrukt staat, kan dan ook niet anders dan in gemoede concluderen dat Carmiggelt een heel aardige man moet zijn geweest, die bovendien somtijds verkeerde in bijzonder milde buien.

Na vele jaren heruitgegeven

Daarmee wil niet gezegd zijn dat deze oorspronkelijk in 1967 verschenen selectie uit Mary Dorna’s vroegere verhalenbundels geen enkele waarde zou bezitten. Het begint bijvoorbeeld al bij de titel, die natuurlijk behoorlijk aantrekkelijk is, al kan hij ook in zoverre misleidend worden genoemd dat de verhalen in deze bundel weliswaar vaak betrekking hebben op vader, maar, hoewel niet van humor verstoken, niet bepaald heel lollig zijn.

Ze spelen zich af in een beklemmend, burgerlijk milieu waar glazige aardappelen en angst voor jusspatten op met veel stijfsel gesteven japonnen de dienst uitmaken, en vader is een misprijzende, nooit lachende, nooit huilende man die zich kan doodergeren aan het feit dat zijn dochters haren maar niet willen groeien en bijgevolg niet tot onder haar oren komen te reiken: ‘Als je niet beter wist, zou je zeggen dat ze zo van de zigeuners kwam.’

En inderdaad, de ik-figuur in deze verhalen is ‘onhebbelijk wild en ongemanierd’ (het eerste boek van Dorna, uit 1933, was trouwens getiteld Wanordelijkheden rondom een lastig kind), is op familiefeesten steevast de enige die haar glas limonade omgooit, op een haar na in ‘een grote zuurbal’ stikt, altoos veel te luid lacht om vervolgens aan een soort van zenuwtoeval ten prooi te vallen, en zich met net iets te veel nadruk ergert aan de kleinheid van de grote mensen – met dien verstande dat kinderen geen haar beter zijn, zéker wanneer ze zich in groep bevinden. In een tête-à-tète kan je nog weleens met je medemens een gevoel van verstandhouding ondervinden, zélfs met vader, maar ‘het onaangename massa-instinct der menigte’ gooit in de andere gevallen onherroepelijk roet in het eten: ‘Alléén zijn ze aardig, en met méér hebben ze léf’.

Prettig om te lezen, maar het laat je enigszins onbevredigd achter.

Sympathie heeft de jonge Mary enkel voor de buitenstaander, de rijke oplichter, het meisje van plezier dat zo prettig contrasteert met moeder, deze drommelse vrouw van verdriet. Of met haar flamboyante oom Ricardo, met zijn ‘glanzende witte tanden en diepe donkere zigeunerogen’. Die mag dan allesbehalve ‘geslaagd’ zijn in het leven, maar spreekt juist daarom tot Mary’s verbeelding: hij ‘kwam uit de wijde, wijde wereld, hij bracht de sfeer van de verte en het avontuur mee, ik snoof een bijna wilde geur om hem en niet dat gewone duffe zoetige familieluchtje.’

Pas na bladzijde 100 treffen wij in Laten we vader eruit gooien verhalen aan die niet vanuit het standpunt van een kind geschreven zijn, en leren we Mary kennen als iemand die zelf een soort van bohémienne is geworden en in ‘een kunstenaarsstadje’ poseert voor schilders en schilderessen. Het zijn enigszins vage verhalen, die er minder inhakken dan die over de kindertijd van de schrijfster, met uitzondering dan van het laatste, dat over vaders begrafenis handelt en waarin de rollen van weleer omgekeerd blijken te zijn: nadat hij een beroerte had gekregen, huilde vader aan het einde van zijn leven blijkbaar wél regelmatig – ‘maar dat was zo treurig, zo treurig’ –, terwijl de schrijfster zelf tijdens de plechtigheid geen traan tevoorschijn toveren kan: ‘Ik wou dat ik ook huilen kon – het zou veel netter staan voor de familie.’ Nu, wat de vader-dochterrelatie betreft: eind goed, al goed, kan je zeggen, want ‘we hebben elkaar dan eindelijk ontmoet en begrepen’.

Fijn voor Mary Dorna en haar pa, denk je dan, en ook wel prettig om te lezen, natuurlijk, maar het neemt niet weg dat Laten we vader eruit gooien je enigszins onbevredigend achterlaat, wat vooral te maken heeft met wat Mary Dorna zelf ooit te kennen gaf, namelijk dat ze niets kon verzinnen. Het maakt dat het gevoel voor humor, de treffelijke stijl en de eigenzinnige persoonlijkheid van deze schrijfster naar mijn smaak niet voldoende compensatie te bieden hebben voor het al te anekdotische karakter van haar verhalen.

Christophe Vekeman

Laten we vader eruit gooien van Mary Dorna is verschenen bij Nijgh & Van Ditmar

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Heleen Debruyne

Samenstelling: Chantal Pattyn

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.