Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Christophe Vekeman tipt Herman Melville

Christophe Vekeman tipt Herman MelvilleKunst & Cultuur, Boek

Volgens Christophe Vekeman is het een boek om aan iedereen cadeau te doen: 'De klerk Bartleby, een verhaal van Wall Street' van Herman Melville in een mooie, nieuwe uitgave van Athenaeum, Polak & Van Gennep.
Herman Melville, De klerk Bartleby, Athenaeum, Polak & Van Gennep

Herman Melville, De klerk Bartleby, Athenaeum, Polak & Van Gennep

De klerk Bartleby. Een verhaal van Wall Street van Herman Melville is, laten wij er geen doekjes om winden en onmiddellijk maar met de deur in huis vallen, wat je noemt een juweeltje. Melville is natuurlijk vooral bekend dankzij dat grote vroege meesterwerk van de Amerikaanse literatuur Moby Dick, de roman met een van de beroemdste openingszinnen aller tijden, ‘Call me Ishmael’, maar wat in mindere mate tot ons aller parate kennis behoort, is dat het juist Moby Dick was dat voor des schrijvers neergang zorgde: was Melville voordien een commercieel succesvol en gevierd schrijver van traditionele avonturenromans, dan werd in 1851 zijn ambitieuze, literair hoogstaande boek over kapitein Ahab en diens jacht op de witte walvis die hem het onderbeen heeft afgebeten met onbegrip, hoon en drek overladen. Melville zou de slag nooit te boven komen en stierf uiteindelijk, zij het pas in 1891, berooid en vergeten, maar zijn eerste reactie op de negatieve ontvangst van zijn magnum opus bestond erin dat hij anoniem een paar verhalen in tijdschriften ging publiceren. En bij de eerste van die lange verhalen was Bartleby. Dat het betreffende juweeltje in al zijn pracht een donkere fonkeling uitstraalt, mag dan ook geen verbazing wekken.

Het – erg stijlvol uitgegeven, voor de gelegenheid met illustraties gelardeerde – boekje begint nochtans in een opgeruimde sfeer van gezelligheid en bonhomie. De ik-figuur noemt zichzelf in de eerste zin niet Ishmael maar wel al behoorlijk bejaard en maakt zich op ons te trakteren op een wonderlijk, sterk verhaal dat stamt uit de tijd dat hij aan het hoofd stond van een New Yorks advocatenkantoortje en een drietal mensen onder zijn gezag had: een bijna zestigjarige klerk die ‘de Pimpelaar’ is bijgenaamd en na de lunch steevast opvallend minder trefzeker presteert dan in de voormiddag, een klerk van rond de vijfentwintig die ‘de Ritselaar’ genoemd wordt, ‘de speelbal was’, in de ogen van de verteller, ‘van twee kwade machten: ambitie en indigestie’ en het als volleerd neuroot maar niet met zichzelf eens kan worden over de ideale stand van zijn schrijftafel, en dan ook nog ‘Gemberkoekje’, een loopjongen van een jaar of twaalf. Alles koek, ei en zonneschijn, kortom, tot de ik-figuur zich op een dag gedwongen ziet om wegens drukte extra hulp aan te werven: ‘Ik zie die figuur nog voor me – bleek en keurig, zielig en fatsoenlijk en totaal verloren. Het was Bartleby.’ 

 

 

Ik zie die figuur nog voor me - bleek en keurig, zielig en fatsoenlijk en totaal verloren. Het was Bartleby.
Herman Melville

Aanvankelijk laat de nieuw aangenomen jongeman zich van zijn beste kant zien: hij schrijft alsof hij niet per uur maar per bladzij betaald wordt en werkt waarlijk dag en nacht onafgebroken door, als was hij geen mens maar een automaat. Tot zijn baas hem op zeker ogenblik een eenvoudige opdracht geeft die enigszins afwijkt van Bartleby’s dagelijkse, doordeweekse taak. Hij doet zijn verzoek op rustige, vanzelfsprekende, zelfverzekerde wijze, zoals bazen dat plegen te doen, en weet niet wat hij hoort wanneer hij als antwoord krijgt: ‘Liever niet.’ Hij herhaalt zijn vraag, waarop dezelfde woorden volgen. ‘Ik keek hem strak aan,’ luidt het. ‘Geen spier van zijn magere gezicht vertrok, zijn grijze ogen keken wazig en kalm.’

Van dan af gaat het van kwaad tot erger, tot het zover komt dat Bartleby eenvoudigweg alle arbeid neerlegt, zonder boe of bah, en zich ontpopt als een soort van volmaakt nutteloos meubelstuk dat slechts één enkele functie heeft, namelijk aan te tonen in hoeverre macht en passiviteit synoniemen kunnen zijn. De gevolgen zijn nogal onthutsend, om ze niet verschrikkelijk te noemen. 

In het licht van Melvilles biografie is het verleidelijk hem met een van de beide hoofdfiguren van dit verhaal te gaan identificeren. Valt hij samen met de ik-figuur, dan zou Bartleby symbool voor het lezerspubliek kunnen staan, onverschillig, nukkig, afwijzend en als dusdanig levensgevaarlijk: ‘En ik beefde bij de gedachte dat mijn contact met de klerk me al ernstig mentaal had aangetast.’ Of is Bartleby een alter ego van Melville zelf, de ultieme naysayer die zichzelf buiten het leven plaatst of geplaatst ziet en niet langer deel uitmaakt of wil –maken van de reguliere samenleving? Het doet er weinig toe. Wat ertoe doet, is dat ook de hedendaagse lezer, in wiens borst, nietwaar, twee zielen wonen, zich nog altijd met gemak in zowel de goedmoedige ik-figuur als in de weerspannige klerk kan herkennen. En zowel plezier als diepe treurnis aan dit boekje zal beleven. 

Christophe Vekeman

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts nodigen een ‘guest of honour’ uit en laat ook andere gasten aan de studiotafel plaats nemen. Alles voor de Kunst!

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Contact: pompidou@klara.be

Pompidou wordt als podcast aangeboden.