Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Nu op Klara:

Christophe Vekeman tipt Wijs Bloed

Christophe Vekeman tipt Wijs BloedKunst & Cultuur, Literatuur

Christophe Vekeman las 'Wijs bloed', van de Amerikaanse schrijfster Flannery O'Connor. Het boek werd uitgegeven door Bananafish.
Flannery O'Connor, Wijs Bloed, uitgeverij Bananafish

Flannery O'Connor, Wijs Bloed, uitgeverij Bananafish

Flannery O’Connor, geboren in 1925 in Georgia en negenendertig jaar later na een zeer langdurige ziekte in dezelfde staat gestorven, wordt door velen gerekend tot de grootheden van de Amerikaanse literatuur van de twintigste eeuw, wat toch wat wil zeggen als je bedenkt dat ze slechts twee niet erg dikke romans en iets meer dan dertig korte verhalen schreef. Hoe dan ook wordt ze vaak in één adem genoemd met William Faulkner, Carson McCullers en andere beoefenaars van het southerngothic genre, zoals er ook maar zelden over haar werk wordt geschreven zonder dat de omschrijving ‘grotesk’ valt.

Zelf zei zij daarover: ‘Anything that comes out of the South is going to be called grotesque by the northern reader, unless it is grotesque, in which case it is going to be called realistic.’ Wat er ook van zij, dat de onmiskenbare humor in haar werk wel degelijk bedoeld was, blijkt wel uit wat zij ooit schreef in een brief aan een bewonderaar: ‘Ik ben ontzettend blij dat je mijn verhalen goed vond, want nu vind ik het niet meer zo erg dat ik ze zelf zo goed vind. Ik vind ze namelijk geweldig en herlees ze voortdurend en iedere keer lach ik me weer suf…

Flannery O'Connor in het gezelschap van een pauw

Ook in Wise Blood, haar debuutroman die wonderlijk genoeg nu pas voor het eerst in het Nederlands beschikbaar is gesteld, en wel door uitgeverij Bananafish, valt er heel wat te lachen met beschrijvingen als ‘Ze had van die bruine brillenglazen en haar haar was zo dun dat het wel jus leek die over haar schedel droop’, ‘Zijn gezicht onder de pet leek op dat van een magere, kaalgeplukte adelaar’ en ‘Ze was een lange, schonkige vrouw; ze leek op de zwabber die ze ondersteboven vasthield’, maar zoals je tevens aan deze citaten meteen al kunt merken, gaat van O’Connors humor ook steevast iets lugubers en zelfs deprimerends uit, om niet te zeggen iets bedreigends en agressiefs.

Laat ons bijvoorbeeld eens kijken naar het begin van de roman. De eerste zin is al direct een juweeltje van verstolen zelfdestructie: ‘Hazel Motes zat op het puntje van de groen pluchen treinbank en keek afwisselend naar het raam, alsof hij van plan was eruit te springen, en door het gangpad naar het eind van de wagon.’ De jongeman houdt een ‘stijve zwarte breedgerande hoed’ als van een bejaarde plattelandsdominee op zijn schoot en heeft een knalblauw kostuum aan met het prijskaartje ‘nog aan de mouw geniet’. Niet veel later valt hij uit tegen een vrouw die tegenover hem is gezeten: ‘U denkt zeker dat u verlost bent’… 

Het is opvallend hoeveel gelijkenissen deze Hazel Motes vertoont met de hoofdfiguur van een roman die één jaar vóór Wise Blood (1952) is verschenen, namelijk Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans. Zowel Haze (zoals zijn voornaam vaak wordt afgekort) als Lodewijk Stegman is een jonge veteraan die woedend uit een oorlog weerkeert, is heilig overtuigd van zijn eigen gelijk (‘Luister mensen,’ predikt Haze op een bepaald moment, ‘ik heb altijd de waarheid bij me, waar ik ook kom’) en is vast van plan een nieuwe beweging op te richten, Lodewijk Stegman een nieuwe (a-religieuze) politieke partij, Hazel Motes een nieuwe (a-religieuze) kerk, ‘de Kerk Zonder Christus (…), waar de blinden niet zien en de lammen niet lopen en wat dood is dood blijft.’

Van O'Connors humor gaat steevast iets lugubers en zelfs deprimerends uit, om niet te zeggen iets bedreigends en aggresiefs.
Christophe Vekeman over Flannery O'Connor

Haze is dus een predikant die het ongeloof tracht te verbreiden, en dit in een wereld – het Diepe Zuiden in de jaren veertig van de vorige eeuw – waarin onwetendheid naar believen de plak zwaait en alles bijgevolg is behangen met betekenis en als angstwekkend en mysterieus wordt ervaren. Het is een wereld vol mensen die op welhaast geen enkele wijze in contact staan met de rede, maar die worden gestuurd door het bloed en compleet gevangen zitten in een eigen universum waarvan zij niet eens zozeer het middelpunt vormen, maar dat zij als enige bevolken. Of zoals Haze het treffend uitdrukt: ‘Waar is er dan een plek waar je kan zijn? Nergens. Buiten je eigen kan je nergens terecht.’

Het is een wereld ook waarin naast een benzinepomp ten behoeve van de klanten een kooi staat met ‘een zwarte beer van ruim een meter lang en broodmager op de bodem van de kooi; zijn rug zat onder de plekken vogelpoep die op hem waren afgevuurd door een kleine gestreepte sperwer die op een stok hoog in hetzelfde onderkomen zat. De staart van de sperwer was grotendeels verdwenen; de beer had maar één oog.’ Op een bord naast deze kooi staat goedmoedig geschreven: ‘TWEE DOODSVIJANDEN, KIJKEN GRATIS.’ Het is een wereld waarin God even reëel is als het bloed dat komt tevoorschijn gekropen uit een lichaam dat zichzelf met prikkeldraad omwikkeld heeft. Een wereld even fascinerend als dit boek.

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts nodigen een ‘guest of honour’ uit en laat ook andere gasten aan de studiotafel plaats nemen. Alles voor de Kunst!

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Contact: pompidou@klara.be

Pompidou wordt als podcast aangeboden.