Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
De buitenstaander zit

De buitenstaander zitKunst & Cultuur

'Houthakken' van Thomas Bernhard is na vijfendertig jaar eindelijk in het Nederlands vertaald. Christophe Vekeman las de vergeten klassieker en raakt gefascineerd door de mysterieuze ik-figuur.
Uitgeverij IJzer ©

Thomas Bernhard, Houthakken

Wie kent niet het gevoel jezelf voor het hoofd te willen slaan omdat je, hoe vlot en ad rem je doorgaans ook uit de hoek komen kunt, twee seconden geleden er niet in geslaagd bent om op tijd een uitvlucht te verzinnen toen je werd uitgenodigd voor een etentje bij mensen die je helemaal niet sympathiek vindt? Iederéén kent dat, natuurlijk. Niet iedereen, echter, zal vervolgens, na afloop van die feestelijke maaltijd, zich wederom huiswaarts reppen met het rotsvaste voornemen om over de voorbije avond een vernietigend relaas te schrijven – iets wat de verteller van Houthakken, de eerste Nederlandse vertaling ooit van een in 1984 verschenen, à propos uit één enkele alinea bestaande roman van Thomas Bernhard, op de laatste pagina van het boek wel degelijk doet…

Wie de naam Thomas Bernhard associeert met somberte, zelfmoord, maniakale misantropie en aanverwante zwartgalligheden, zal door Houthakken, dat vijf jaar voor Bernhards overlijden het licht zag, bepaald niet op andere gedachten worden gebracht. Dat de ik-figuur zichzelf in de nesten heeft gewerkt door toe te zeggen om het ‘kunstzinnig avondmaal’ bij de door hem gehate Auersbergers bij te wonen, samen met nog een zestiental andere, eveneens door hem gehate gasten, had bijvoorbeeld, deelt hij ons mee, voornamelijk te maken met het feit dat hij in de war was door het nieuws over ene Joana, een oude vriendin die zichzelf bleek te hebben opgehangen. Al treft haar nu ook weer niet echt álle schuld: ‘Een sterk iemand met een sterk karakter, dacht ik, zou hun uitnodiging hebben afgeslagen, maar ik ben geen sterk iemand noch iemand met een sterk karakter, integendeel, ik ben de zwakste van iedereen met het zwakste karakter en min of meer aan alle mensen overgeleverd.’

Zich te buiten gaand aan dit soort van dostojevskiaans zelfbeklag, maar ook en vooral binnensmonds – en af en toe hardop, tegen niemand in het bijzonder – foeterend op alles en iedereen, brengt de verteller de avond en een flink deel van de nacht door in een stoel waarin hij dermate pontificaal, halsstarrig en onverzettelijk zit te zitten dat hij zich ook zelf algauw bewust wordt van de wrevel die hij op zijn beurt bij alle aanwezigen opwekt: hij is ‘het overhaast uitgenodigde schoonheidsfoutje van dit avondmaal (…) Ze zagen: ik ben hun observator, het weerzinwekkende individu dat (…) beschermd door het halfdonker van de voorkamer zijn walgelijke spel speelt, het min of meer fileren, zoals gezegd wordt, van de gasten’. Dat de stoel in kwestie, zoals gemiddeld drie à vier keer per bladzijde – wat wil zeggen: een keer of achthonderd in totaal – vermeld wordt, niet zomaar een stoel maar wel een zogeheten ‘oorfauteuil’ is, met op hoofdhoogte aan weerszijden dus van die vleugeltjes, draagt alleen maar aan het isolement van de hoofdfiguur bij.

Deze en andere voortdurende herhalingen, overigens, versterken doeltreffend de beeldvorming van een fanaticus, van iemand die onophoudelijk het gevaar meent te lopen de draad van zijn gedachten en daarmee ook zichzélf te verliezen. Misschien, zelfs, kan je het vermoeden toegedaan zijn dat hij vervuld is van misantropie bij gebrek aan iets beters, aan een echte identiteit. Wie is hij immers? ‘Ik leef geen werkelijk, geen waarachtig leven, ik leef en existeer slechts in een geveinsd leven,’ geeft hij aangaande zichzelf te kennen, en elders bekent hij door de zelfmoord van Joana in mindere mate droevig dan nieuwsgierig gestemd te zijn geweest, maar al met al komen wij als lezer opvallend weinig te weten over deze man die toch tweehonderdvijftig bladzijden lang op hoogst openhartige wijze zijn hoofd en gedachtewereld voor ons ontsluit.

‘Kunstenaarschap betekent in Oostenrijk voor de meesten dat ze zich aan de staat, maakt niet uit welke, onderwerpen en zich er hun leven lang door laten onderhouden’, leren wij, en ‘mensen richten hun woning met antiek in, omgeven zich met meubels uit een tijd die al eeuwen achter ons ligt, die ze überhaupt niets zegt en zijn alleen daardoor al leugenachtig’ – maar degene die al deze schimpscheuten formuleert en die zo heel aanwezig in zijn oorfauteuil gezeten is, blijft desondanks een vage onbekende en een vat vol geheimen. Hij is een schrijver, ja, hij zal Thomas Bernhard wel zijn – maar daarmee is nog steeds geen echt antwoord gegeven, en daardoor blijft onze fascinatie intact.

Houthakken is vanzelfsprekend geen boek dat het in zich heeft om vijfendertig jaar na de oorspronkelijke publicatie ervan een bestseller te worden. Je moet zonder meer van specifieken huize zijn om deze roman te smaken. Je zou het zo kunnen zeggen: dit is een dermate doelbewust saai boek dat na verloop van tijd de zeer opwindende gedachte in je postvat dat mensen die beweren dit een prachtig boek te vinden door de ik-figuur, die onophoudelijk zittende buitenstaander, onverbiddelijk als walgelijke snobs zouden worden afgeserveerd. Fantastisch, toch?

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Samenstelling: Vincent Goris

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.

Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Facebook
Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Instagram