Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Nu op Klara:

De diepe leegte van Paul Auster

De diepe leegte van Paul AusterKunst & Cultuur

De hele wereld kijkt reikhalzend uit naar 4 3 2 1, de nieuwe roman van Paul Auster (verschenen bij De Bezige Bij). Behalve dan Christophe Vekeman ...
Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij

Paul Auster, 4 3 2 1, De Bezige Bij

Het eerste wat opvalt aan de nieuwe roman van de zeventigjarige Paul Auster, die op 24 maart aanstaande het Passa Portafestival zal openen, is dat hij verschrikkelijk dik is en bijgevolg vanzelf een woord oproept dat je niet meteen met een toch eerder experimenteel aangelegde auteur als Auster associëren zou, namelijk ‘episch’. De verrassing wordt nog groter als je merkt dat 4321, zoals het boekwerk getiteld is, inderdaad erg klassiek – misschien zelfs ouderwets – begint, met een Isaac Reznikov geheten immigrant uit Minsk die op 1 januari 1900 in de Verenigde Staten arriveert, van iemand te horen heeft gekregen dat hij desgevraagd dient te zeggen dat hij ‘Rockefeller’ heet, ‘dan zit je altijd goed’, maar aan de douane niet op deze laatste naam kan komen en zichzelf voor het hoofd slaand in het Jiddisch uitroept: ‘Ich hob fargesn’. En zo gebeurt het dat de man wordt ingeschreven als Ichabod Ferguson… Vervolgens neemt Auster ruim dertig pagina’s de tijd om te beschrijven hoe de zoon van deze immigrant zijn latere vrouw ontmoet, en hoe van een en ander een kind komt, Archie Ferguson, de hoofdfiguur van 4321, die in de daaropvolgende tientallen bladzijden nu eens bijna stikt in een zuurbal, dan weer uit een boom valt, dan weer eenenveertig graden koorts heeft, hierop leert lezen en schrijven et cetera, zodat de lezer gul getrakteerd wordt op een lawine aan gebeurtenisjes die sterk de indruk wekken dat dit een weliswaar goed geschreven maar ook typisch wijdlopige autobiografische joekel is, waarin de schrijver talloze details verhaalt zonder goed en wel te beseffen dat al die kleinigheden enkel voor hemzelf interessant zijn. Daarnaast, en enigszins in weerwil hiervan, stijgt er als altijd bij Auster een enorm gevoel van afstandelijkheid uit deze roman op, die maakt dat je heel moeilijk kunt gaan meeleven met Archie Ferguson, en onwillekeurig moet je denken aan wat Nabokov – overigens geheel onterecht – opmerkte over Dostojevski: ‘Het lijkt telkens of hij in zijn boeken een boek navertelt…

En inderdaad, even later al lijkt dit laatste gevoel wel degelijk juist te wezen, en heeft het er alle schijn van dat woorden als ‘klassiek’ en ‘episch’ niet van toepassing zijn – hoe had het ook gekund? – op dit nieuwe boek van de dekselse speelvogel Auster, wat je ten slotte zeker weet wanneer de vader van Ferguson, die in het derde hoofdstuk is gestorven, in het vierde weer springlevend is. De wijze waarop Auster zijn boek heeft gestructureerd, is dan ook de volgende: hij heeft elk hoofdstuk onderverdeeld in vier aparte hoofdstukken, waarin Archie Ferguson enerzijds altijd Archie Ferguson heet, altijd de zoon is van Stanley en Rose Ferguson, altijd schrijver wil worden, altijd van klassieke muziek en John F. Kennedy houdt, altijd opgroeit in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw, maar daarnaast ook telkens een verschillend leven leidt. In het ene wordt hij bijvoorbeeld ontmaagd door een prostituee, in het andere door zijn verre nicht Amy, die hem in het ene leven ziet zitten, in het andere weer niet, nu eens houdt hij van honkbal, dan weer van basketbal, hier scheiden zijn ouders, daar niet, de derde versie van Ferguson worstelt met zijn geaardheid, de tweede versie sterft op jonge leeftijd doordat hij een tak van een boom op zijn kop krijgt en ga zo maar door, negenhonderdvijftig bladzijden lang.

 

Een weliswaar goed geschreven maar ook typisch wijdlopige autobiografische joekel.
Christophe Vekeman

En opnieuw moest ik tijdens mijn lectuur aan een schrijversuitspraak denken, namelijk van Cees Nooteboom: ‘Ik had wel duizend levens en ik nam er maar één!’ Wilde, zo vroeg ik mij af, deze roman een illustratie zijn bij een gelijkaardige wanhopige verzuchting? Of doet de roman een eeuwigheidsverlangen van de kant van Auster vermoeden, getuige de volgende passage: ‘Ferguson vond het geweldig dat de mannen die in de films de fictieve personages van Laurel en Hardy speelden in het echt ook zo heetten, omdat Laurel en Hardy dus altijd Laurel en Hardy waren, los van de omstandigheden waarin ze zich toevallig bevonden, of ze nu in Amerika of in een an­der land leefden, (…) en het feit dat ze altijd dezelfden waren, zelfs als ze anders waren, leek hen echter te maken dan andere film­personages, want als Laurel en Hardy altijd Laurel en Hardy waren, redeneerde Ferguson, dan moest dat betekenen dat ze eeuwig bleven bestaan’? Of gaat het over de onmogelijkheid van een identiteit, getuige de vertwijfeling van de een of andere Ferguson als iemand hem in de aanloop naar het eerste interview dat hij ooit als schrijver zal geven aanraadt ‘gewoon zichzelf te blijven’: ‘wat betekende dat trouwens, zichzelf blijven, vroeg hij zich af, hij had verschillende zelfs in zich, een heleboel zelfs’? De onthutsend uitleggerige slotpassage van de roman, waarin Auster, wellicht met het oog op de zwakzinnige kleuterlezer, er ongelooflijk genoeg toe overgaat de titel te verklaren, brengt helaas soelaas noch antwoord op deze in de loop van al die honderden pagina’s almaar pregnanter geworden kwesties, en uiteindelijk blijf je achter met één vraag, een vraag die opdoemt uit de diepe, de afgróndelijke leegte waaruit dit boek is opgetrokken: hoe kan het bestaan dat iemand met zoveel literair talent de moeite doet een boek als dit te schrijven? Anders geformuleerd: hoe kan iemand met zoveel literair talent zo weinig te zeggen hebben? 

Christophe Vekeman

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts nodigen een ‘guest of honour’ uit en laat ook andere gasten aan de studiotafel plaats nemen. Alles voor de Kunst!

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Contact: pompidou@klara.be

Pompidou wordt als podcast aangeboden.