Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
De taal is gansch de mens

De taal is gansch de mensKunst & Cultuur

Weinig mensen hebben het oeuvre van Jeroen Brouwers zo aandachtig gelezen als Christophe Vekeman. Over de nieuwe roman van Brouwers is hij duidelijk: dit boek bevestigt zijn status van grootste, levende schrijver van ons taalgebied.

Jeroen Brouwers leverde een hoogst indrukwekkende roman af

De vele labyrintjes waaruit de kraamkliniek bestaat in Joris Ockeloen en het wachten, Jeroen Brouwers’ romandebuut uit 1967; het lifthok dat gestokt is zoals adem in een keelschacht in Zonsopgangen boven zee (1977); het jappenkamp en de daarop aansluitende Nederlandse internaatinstellingen in de jarentachtigromans Bezonken rood en De zondvloed; het klooster in het ruim vijf jaar geleden verschenen Het hout: het oeuvre van Jeroen Brouwers laat zich bepaald niet situeren op de weidse, open vlaktes van de grenzeloze vrijheid, maar speelt zich daarentegen nadrukkelijk af, van begin tot eind, tussen de benijpende muren van locaties waaruit geen of nauwelijks ontsnappen mogelijk is, hoe graag men dat ook zou willen. En weinig personages hebben het ooit zo graag gewild als het titelpersonage in Brouwers’ jongste, Cliënt E. Busken, dat zich weliswaar recalcitrant-ga-weg doofstom houdt tegenover zijn omgeving, maar tezelfdertijd zichzelf – en daarmee, indirect, de lezer – 260 wervelende, vurige pagina’s lang te woord staat alsof zijn leven ervan afhangt.

Niet dat dat leven van hem nog erg veel voorstelt: na drastisch evenwichtsverlies in zijn eenzame woning is de tachtigjarige Busken niet enkel in een door hem verfoeid ‘zorgcentrum’ maar op de koop toe in een rolwagen terechtgekomen, waarin zijn spastisch heen en weer schokkende lichaam ook nog eens zo wild tekeer gaat dat het verplegend personeel kennelijk geen keus had: ‘Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt.’

 

© VRT
Het werk van Jeroen Brouwers is een feest van de Nederlandse taal.

Gelukkig voor ons, echter, valt het met dat platkoken al met al nogal mee. Veeleer, immers, kookt E. Busken bij voortduring óver, soms – ondanks haar ‘dragonderstem’ – van besmuikte verliefdheid op de hem verzorgende Moniek, vaker uit verongelijktheid daar hij ‘wederrechtelijk’ gevangen wordt gehouden. Gezwegen nog over zijn razende vrees dat hij ten gevolge van die gevangenschap zijn taal, zijn woorden en daarmee ook zijn herinneringen, zijn verleden en kortom zichzelf zal verliezen.

Op die ene keer dat hij zich níét doofstom hield en zijn niet-platgekookte woede bijgevolg de vrije loop liet, blikt hij op zeker ogenblik op deze wijze terug: ‘We houden u een poosje hier, meneer Busken. Het is onverantwoord u weer naar huis te laten gaan. Voor uw eigen welbevinden, uw eigen blaatblaat kokkelkokkel. O ja, godverdomme? brulde ik haar in d’r gezicht, dat zullen we nog weleens zien. Wat denk jij wel wiewat je bent, geblutste mafklapper, en tegen wie je het hebt. Weet jij wel wie ik ben. Ik ga zelf over mijn welbevinden en daar heb jij met je lurpse blauwe gepenkop geen spleet mee te maken of iemand anders hier lazer op. Geen bijster sterke tekst als weerwoord, reactie, uiting van mijn woede en aanvliegende paniek, terwijl ik toch een bezonken intellectueel en geestesaristocraat ben, een geletterde met een welhaast religieus taalbesef en een woordenvariëteit als een bloementuin’.

De taal van Busken kruipt en kronkelt, duikt en springt op, danst en swingt waar zij niet gaan kan.

Het is het hier door Busken aangeduide conflict dat de roman zo spannend maakt. Het conflict, namelijk, dat iemand parten speelt wiens identiteit geheel en al, van kruin tot voetzool, uit de fraaiste taal is opgetrokken, maar die tegelijkertijd merkt dat hij, tevergeefs zijn woordenschat bewakend als een herder zijn van lieverlede losslagende kudde, bezig is evenzeer de beheersing van die taal als de controle over zijn lichaam, zijn ledematen en niet te vergeten zijn sluitspieren kwijt te spelen.

De vraag ‘Weet jij wel wie ik ben’ wordt daardoor natuurlijk des te navranter: het voormalige beroep van E. Busken wil in de gedachten van hemzelf weleens wisselen – al betreft het altijd een bijzonder hoogstaande professie: ‘hersenchirug’ is wel het minste –, of hij al dan niet de vader van een dochter is, blijkt hem evenmin echt duidelijk te zijn, en waar staat, nu wij het toch over identiteit hebben, die E. van hem nu ook alweer voor?

Dat niettegenstaande dit alles de taal van Busken kruipt en kronkelt, duikt en opspringt, danst en swingt waar zij niet gaan kan, dat desondanks geen dichter in ons taalgebied dermate welluidend het Nederlands weet te fêteren, met zoveel liefde voor de muzikaliteit ervan, als E. Busken in onderhavige denkbeeldenstorm, en dat de door Busken aan de dag gelegde stilistische inventiviteit doet denken aan Lodewijk Van Deyssel en Louis Couperus op de toppen van hun beste kunnen, mag met dit al een vreemde paradox lijken, maar kan ook juist als hoopvol worden geïnterpreteerd: de vaart waarmee dit boek geschreven is, wel, zulk een vaart zal het met de door het zorgcentrumpersoneel vermoede dementie van E. Busken, zo laat zich dus hopen, niet lopen… 

E. Busken staat zichzelf te woord alsof zijn leven ervan afhangt, schreef ik daarnet – en dat is ook echt het geval, dat mag je letterlijk nemen, want waar de taal wijkt, daar treedt de dood in of verdwijnt althans de menselijkheid. Brouwers’ boodschap in zijn jongste meesterwerk mag dan ook niet mis te verstaan zijn: hoe zuiverder de taal, hoe zuiverder het denken – de taal is gansch de mens, zeg maar. De huidige mentaliteitsmode om taalcensuur vanzelfsprekend te maken, dit ‘hedendaags taalgeschuif’, waarbij woorden ‘worden vervangen door andere woorden zonder dat aan de kernbegrippen iets verandert’, zodat je niet langer ‘blank’ zou mogen zeggen maar ‘wit’, niet ‘zwart’ maar ‘gekleurd’, niet ‘sterven’ maar ‘heengaan’, niet zus maar wel zo, wordt door Busken zwaar op de korrel genomen: ‘nonsens en onnodig, daar het tot onhelderheid leidt’.

Het moge helder zijn: Jeroen Brouwers, zélf tachtig straks, bevestigt met Cliënt E. Busken probleemloos zijn status van grootste levende schrijver van ons taalgebied, om het nog zuinig uit te drukken, en de bladzijdenlange opsomming, aan het einde van het boek, van de titels die zijn oeuvre uitmaken, vormen de indrukwekkende coda van een hoogst indrukwekkende roman.

Christophe Vekeman

'Cliënt E. Busken' van Jeroen Brouwers is verschenen bij Atlas Contact

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Samenstelling: Vincent Goris

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.

Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Facebook
Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Instagram