Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Een giftigepaddestoelenversie van Franz Kafka

Een giftigepaddestoelenversie van Franz KafkaKunst & Cultuur

Een Perzische klassieker van Sadegh Hedayat uit 1937 blijkt niet echt de meug van Christophe Vekeman.

Sadegh Hedayat, De blinde uil, uitgeverij Jurgen Maas

Sadegh Hedayat werd in 1903 geboren te Teheran, studeerde een hoop maar behaalde geen enkel diploma, kende geen enkele liefdesrelatie van wat langduriger aard maar schreef wel vele romans, essays, reisverhalen en toneelstukken, en kwam na een kort verblijf in België in 1951 om het leven door zich in een Parijs appartement te vergassen. In 1937 verscheen van hem in eigen beheer 'De blinde uil', dat hij dan weer in India schreef en dat niemand minder dan André Breton de uitspraak ‘Als er zoiets bestaat als een meesterwerk, dan is dit het’ deed formuleren. Een uitspraak die mij op mijn beurt het woordje ‘Bof’ in de mond legt.

Er bestaan bepaalde pijnen die als een traag, onzichtbaar woekerend kankergezwel de geest aanvreten,’ aldus luidt de eerste zin van de roman, zodat van meet af aan duidelijk is dat het een buitenmatig getormenteerd mens is die ons toespreekt. Hoewel, ‘toespreekt’? ‘Dikwijls zullen je klachten ook een ironische of spottende glimlach ontlokken,’ zo gaat de verteller verder met de moede stem van de voortdurend onbegrepene, en algauw wordt duidelijk dat hij het dan ook helemaal niet tegen ons of tegen ‘de lezer’ heeft. Hij schrijft om zich ‘kenbaar te maken aan mijn schaduw’.

 

In zijn slaande waanzin al te uitdrukkelijk om echt te boeien.

Het eerste deel van het boek is wat we, met Breton in gedachten, het meest surrealistische kunnen noemen. De naamloze ik-figuur, beschilderaar van pennendozen van professie, ontwaart op een dag door het ventilatiegat in zijn keuken een tafereel dat hij zelf al vaak getekend heeft en waarin een mysterieuze, uiterst aanlokkelijke jonge vrouw een rol speelt wier ‘lichamelijke schoonheid alleen al onvergelijkbaar’ is en die, nu zij in levenden lijve valt te bekijken, hem zozeer het hoofd op hol brengt dat zijn afkeer van de rest van de mensheid, door hem ‘het gepeupel’ genoemd, compleet wordt en hij geen andere keus heeft dan vergetelheid in alcohol en opium te zoeken. Een dag of twee later wil hij opnieuw door het gat kijken, maar het gat blijkt onvindbaar te zijn. En dan staat zij, de ultieme schoonheid, opeens bij hem voor de deur. Sterker nog, ze gaat naar binnen en gaat op zijn bed liggen. Waarna ze plotseling dood is. Dat belet hem niet haar te kussen: ‘Haar mond had een scherpe, bittere smaak, bitter als het uiteinde van een augurk.’ Daarna snijdt hij haar aan stukken.

Het tweede deel van de roman, waaruit min of meer lijkt te blijken dat het eerste deel de beschrijving van een opiumroes betrof, al weet je het natuurlijk nooit, is realistischer en doet in zijn hoedanigheid van rampzalig huwelijksverhaal – de ik-figuur is getrouwd met een consequent op die manier door hem genoemde ‘slet’ die hem niettemin met geen vinger aanraken wil – eerder aan Strindberg dan aan Breton doet denken. Wat het tweede met het eerste deel verbindt, is opnieuw de sfeer van grimmige misantropie alsook de suggestie dat ‘de slet’, aan wie de verteller ten ondergaat, één en dezelfde vrouw is als de droomverschijning die eerder al in stukken was geëindigd. Maar ook hierover wordt wat mij betreft geen zekerheid verschaft, en dat is uiteraard ook niet nodig. Het doet er ook niet toe, zeg maar – en juist daarin schuilt, vrees ik, het feilen van deze roman, die in zijn slaande waanzin al te uitdrukkelijk is om echt te boeien en te beklijven. Jonge studenten psychoanalyse en fervente dwepers met de zwartste onderlagen van het symbolisme zullen aan dit aardedonkere boekje van deze humorloze giftigepaddenstoelenversie van Franz Kafka misschien hun hartje kunnen ophalen, maar ik – nochtans ook niet de grootste mensenvriend die ik mij na een paar trekjes aan de opiumpijp kan voorstellen – was na de luttele 126 pagina’s die 'De blinde uil' telt voornamelijk murw en het schouderophalen nabij.

Christophe Vekeman

'De blinde uil' van Sadegh Hedayat is verschenen bij uitgeverij Jurgen Maas
Uit het Perzisch vertaald door Gert J.J. de Vries

 

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts nodigen een ‘guest of honour’ uit en laten ook andere gasten aan de studiotafel plaats nemen. Alles voor de Kunst!

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.