Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Een leeg boek propvol woorden

Een leeg boek propvol woordenKunst & Cultuur

Christophe Vekeman las voor ons 'Baron Wenckheim keert terug' van Laszlo Krasznahorkai. Een boek dat leest als een trein die weigert te stoppen.
'Baron Wenckheim keert terug'Wereldbibliotheek

Krasznahorkai schreef een boek dat leest als een trein die weigert te stoppen

Geen twee romans – om eens met een open deur in huis te vallen – zijn hetzelfde, maar wat zij desalniettemin zo goed als allemaal gemeenschappelijk hebben, is dat de zogenaamde titelpagina, waarop behalve de titel ook de auteursnaam, de naam van de uitgeverij en desgevallend tevens die van de vertaler staat te lezen, doorgaans de eerste of de derde bladzijde van het boek vormt. ‘Zo goed als’, want bijvoorbeeld 'Baron Wenckheim keert terug' van de Hongaarse, in 1954 geboren László Krasznahorkai blijkt van deze geplogenheid af te wijken: aan de titelpagina gaat hier een bijna zes bladzijden tellende ‘Waarschuwing’ vooraf, welke waarschuwing heel zeker een afdoend effect zal hebben op laten wij schatten vijfenzeventig procent van de lezers – of de uiteindelijke niet-lezers – van dit boek, want die bijna zes bladzijden in kwestie vormen samen één enkele zin. In vergelijking, ja, met deze ‘Waarschuwing’ – en met de hele roman, die immers navenant geschreven is –, dient 'Black Venus' van Jef Geeraerts, waarin het soms ook duizenden woorden lang wachten is op een punt, maar waar tenminste nog regelmatig een puntkomma terug te vinden valt, een in kortaffe telegramstijl opgestelde roman te worden genoemd. 

Laszlo KrasznahorkaiEyevine
Krasznahorkai behoort tot het brusselmansiaanse soort van schrijvers

Overigens betreft de waarschuwing niet alleen of zelfs niet in de eerste plaats de lengte van de zinnen, maar de algehele attitude van de schrijver: ‘ik ben degene die hier slechts toezicht houdt, ik ben degene die niets schept, alleen voorafgaand aan elke toon aanwezig is, want ik ben degene die alleen maar wacht tot het in Godsnaam eindelijk allemaal is afgelopen,’ lezen wij – zinssnede die na Black Venus weer een andere Vlaamse classic in gedachten brengt, namelijk De kus in de nacht. ‘Ik heb alweer niks te melden en dat zal ik doen in een pagina of zeshonderd à zeshonderdvijftig, we zullen zien,’ zo begint dat boek van Herman Brusselmans, schrijver die in mijn gedachten bleef toen ik de titelpagina van Baron Wenckheim keert terug ten slotte dan toch omslaan kon en las aan wie of waaraan Krasznahorkai zijn roman had opgedragen: niet aan zijn vrouw, zo bleek, zoals er ook niet stond te lezen ‘Voor mijn ouwe vadertje’ of zo, maar wel: ‘Voor eeuwig, zo lang als het duurt’. Toen de daaropvolgende pagina de stelling droeg ‘Iedere gelijkenis of overeenkomst van in de roman voorkomende karakters, namen of plaatsen met de werkelijkheid is uitsluitend het werk van het rottige toeval en niet de intentie van de schrijver’, mocht het eens en voor altijd duidelijk heten: Krasznahorkai behoort inderdaad tot het brusselmansiaanse soort van schrijvers, dat zich nergens iets van aantrekt en met nadruk geen respect zal veinzen, noch voor de romantechnieken, noch voor de letteren en noch voor de lezer, en dat daarbij niet te beroerd is om zulks ook met zoveel woorden te laten blijken.

Ja, Krasznahorkai doet dus precies waar hij zin in heeft, en althans in deze roman blijkt hij er zin in te hebben de lezer mee te nemen op een trein die rijdt op een zo dwingend, zo dringend ritme dat je brein er algauw compleet door in beslag genomen wordt, een trein die rijdt en blijft rijden, een trein die weigert te stoppen of zelfs maar vaart te minderen, niet gedurende ‘een pagina of zeshonderd à zeshonderdvijftig’, maar toch een vijfhonderdtal bladzijden lang. Waar die trein heen gaat, doet er absoluut niet toe, zoals het er ook niet toe doet dat het boek begint met een negentienjarig meisje dat beweert de dochter te zijn van een internationaal befaamde ‘Professor’ die zich, allang krankzinnig geworden, heeft teruggetrokken in een hut te midden van ‘het Braambos’, en dat haar vermeende vader belaagt met nijdige mediaoptredens en protestbezoeken. Of zoals het ook geen sikkepit uitmaakt dat de baron uit de titel, die gehuld in een geel overhemd en gele broek, en met een ‘rare gele hoed’ op zijn veel te bleke hoofd, van Argentinië naar Hongarije weerkeren moet vanwege gokschulden en dus lang niet meer zo rijk is als men wil geloven, pas op pagina vijfenzeventig ter sprake komt en het loodje legt op honderdvijftig pagina’s van het einde. 

in deze roman blijkt hij er zin in te hebben de lezer mee te nemen op een trein die rijdt op een zo dwingend, zo dringend ritme dat je brein er algauw compleet door in beslag genomen wordt, een trein die rijdt en blijft rijden, een trein die weigert te stoppen of zelfs maar vaart te minderen

Wat er dan wel toe doet? Misschien schuilt het antwoord op deze vraag in een citaat als ‘spelen is de natuurlijke verschijningsvorm van vrijheid, om zo te zeggen’, of in een verzuchting omtrent de zinloosheid van alles als ‘Wat ik niet begrijp is niet waarom ik moet sterven, maar waarom ik moest leven, peinsde baron Bela Wenckheim, en hij draaide zijn hoofd naar het raam.’
Overigens doet de roman niet alleen aan Brusselmans denken, maar ook, dankzij hysterisch-filosofische passages en wijdlopige bespiegelingen over bijvoorbeeld atheïsten (‘meelijwekkende bedelaars’) aan Dostojewski. Of door toedoen van grillige zinsconstructies annex practical jokes als ‘die jas – wat jas, een koninklijke mantel was het – kwam helemaal tot aan de grond, hij zei het serieus, zei hij serieus, die raakte de grond, hij speelde niet met woorden en overdreef niet, die jas sleepte echt over de grond’ aan Witold Gombrowicz en – over mantels gesproken – Nicolai Gogol.


Mensen die mij kennen zullen het moeiteloos kunnen bevestigen: ik zoek geenszins naar boodschappen in een boek, en de bij wijze van verwijt gestelde vraag wat de schrijver nu eigenlijk wil zeggen, formuleer ik dus werkelijk hoogstzelden, laat staan dat ik zo vulgair zou zijn om te klagen over het feit dat deze of gene roman geen zogeheten ‘sterk verhaal’ bevat, maar toch: Baron Wenckheim keert terug, dat ongetwijfeld als basis kan dienen om een vuistdikke dissertatie te schrijven, maakt op mij de indruk een wel héél erg leeg boek te zijn, hoe propvol woorden het ook staat. Dus: Brusselmans meets Dostojewski meets Gombrowicz meets Gogol? Zeker, inderdaad, jawel. Maar aan geen van deze schrijvers afzonderlijk kan Krasznahorkai ook maar in de verte tippen. 

Christophe Vekeman

'Baron Wenckheim keert terug' is verschenen bij Wereldbibliotheek

Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Samenstelling: Vincent Goris

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.

Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Facebook
Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Instagram