Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Nu op Klara:

Huts' historische bochtenwerk

Huts' historische bochtenwerkKunst & Cultuur

Katoen Natie-opperhoofd Fernand Huts stond in alle media breeduit te blinken naast werken uit zijn collectie oude kunst. In het Gentse Caermersklooster opende op 17 juni ‘Voor God & Geld. Gouden Tijd van de Zuidelijke Nederlanden.’ Een tentoonstelling die bijna integraal is samengesteld uit werken van The Phoebus Foundation, de kunstverzameling van Huts. Heleen Debruyne ging kijken en zag hoe de kunst wordt ingezet om Huts’ gedachtengoed te illustreren.
Jan Cornelisz. Vermeyen, Portret van Jodocus Aemszoon van der Burch, 1541 Olieverf op paneel, 94 x 77 cm

Jan Cornelisz. Vermeyen, Portret van Jodocus Aemszoon van der Burch, 1541 Olieverf op paneel, 94 x 77 cm

Huts heeft inderdaad een indrukwekkende collectie bij elkaar gekocht, die hij presenteert in een somptueuze expo: het goud druipt letterlijk van de muren, videoprojecties flitsen me tegemoet. Kosten noch moeite zijn gespaard om de werken zo flatterend mogelijk te etaleren. Ik dwaal door zalen vol polychrome heiligenbeelden van zeldzaam hoge kwaliteit, ik bots op een afdruk van de Neushoorn van Dürer, werken van Gerard David en Jan Gossaert, Pieter II Breughel, een volgeling van Bosch, een wonderlijk goed bewaard hoofd van een reus van Pieter Coecke van Aelst. Absolute hoogtepunt is de laatste zaal vol prachtige portretten – waaronder het weergaloze posterbeeld, een portret van 16de-eeuwse advocaat en ondernemer Jodocus Aemszoon van der Burch, wiens zelfbewuste trots je door de eeuwen verf heen kan voelen. Op 14 april van dit jaar werd dat werk in Christie’s nog afgeklopt voor een vette 2,741,000 dollar.

Maar het valt me moeilijk me te concentreren op al die kunsthistorische pracht: de zaalteksten leiden me te zeer af. In elf thema’s wil curator Katharina Van Cauteren het verhaal van de Vlaamse economische en daaruit voortvloeiende artistieke glorie in de middeleeuwen vertellen – maar wie de teksten leest, krijgt het vermoeden dat het vooral ondernemer Huts is die haar de woorden heeft ingeblazen. En Huts wil een punt maken: het kapitalisme is in Vlaanderen uitgevonden, in de middeleeuwen. Dankzij de nieuwe, zelfbewuste klasse van ondernemers regende het innovaties, die onvermijdelijk resulteerden in welvaart. De middeleeuwse ondernemer was de ontvoogde voorloper van de kritische mens van vandaag, is zijn teneur. Ik citeer een zaaltekst, om een idee te geven:

“De ondernemende mens. De ontvoogde middeleeuwer. U en wij.

In de middeleeuwen ziet de ondernemende mens het levenslicht in Brugge, Gent en Antwerpen, (..). Deze ondernemende mens is een nieuwe mens. Hij is kritisch, zelfstandig en nuchter. Hij laat zich niet langer de les spellen door geestelijken of edelen. De nieuwe mens innoveert, ontdekt en verkent. En zo verovert hij de wereld. (..) Zonder het te beseffen effenden de middeleeuwse Vlamingen en Brabanders het pad voor onze wereld en denkpatronen van vandaag. Van de Verenigde Staten tot in Australië: wij zijn wie we zijn dankzij hen.”

Jan Massys, De wereld voedt veel zotten, Circa 1530 Olieverf op panel, 38 x 48 cm

Historisch gezien worden hier ontelbare ontzettend korte bochten genomen. De evenzeer opkomende Italiaanse steden worden voor het gemak vergeten, net zoals de Duitse. De middeleeuwse ondernemers waren wel degelijk nog religieus op een manier die wij ons niet meer kunnen voorstellen. Hun gilden waren helemaal niet zo vrij: monopolievorming en privileges waren schering en inslag. In die steden ploeterde een hele onderlaag paupers. Niet de Vlamingen veroverden overigens de wereld, maar de Spanjaarden en de Portugezen; maar niet zonder een bloedbad aan te richten bij de inheemse bevolking en een systeem van slavernij op poten te zetten. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Nadat ik verbluft door het gebrek aan historische nuance het Caermersklooster was uit gestrompeld, bladerde ik door de catalogus, enigszins wanhopig op zoek naar meer nuance. Helaas: de catalogus (uitgegeven door Lannoo) is voor de helft volgepend door de curator, voor de andere helft door Huts zelf, die er niet voor terugdeinst om zijn discours over de ondernemende Vlaamse middeleeuwer te eindigen met een vermanend opgestoken vingertje naar vandaag: de regelitis van het bestuur smoort alle innovatie in de kiem, schrijft hij, de laksheid van de politici zorgt ervoor dat we worden overspoeld door een eindeloze golf van vluchtelingen die onze welvaarststaat zullen uitzuigen. Enkel de vrije, door staat noch regels belemmerde ondernemer kan de boel nog redden, zoals die dat vroeger ook gedaan heeft. En oh wee de staat die die ondernemer niet de absolute vrijheid geeft, besluit Huts zijn catalogus, want die kan niet anders dan ten onder gaan, zoals ook Antwerpen in 1585 is gevallen en alle Vlaamse ondernemers naar Amsterdam zijn gevlucht. Alweer: het historische bochtenwerk is indrukwekkend.

Voor de volledigheid moet ik nog melden dat Huts ook een ander boek heeft laten uitgeven: In ‘Gouden tijden’ (Lannoo) schrijven historici op een gedegen manier over de sociaaleconomische geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden vanaf de elfde tot de zestiende eeuw. Wat blijkt: (verrassing!): het beeld van vijf eeuwen door jolige ondernemers aangezwengelde bloei, blijkt compleet van de pot gerukt. Voortdurend waren er crisissen, politieke en sociale spanningen. Maar de kans is klein dat de doorsnee bezoeker 125 euro zal neertellen voor dat taaie boek.

En zeker: kunsthistorische tentoonstellingen worden vandaag wel vaker in een narratief mal geperst. Maar zo programmatisch en zelfs politiek heb ik het nog nooit gezien. En andere welgestelde privéverzamelaars die hun werk publiek maken, duwen hun maatschappijvisie niet zo schaamteloos in het gezicht van de bezoekers – denk maar aan de Herbert Foundation of museum Dhondt-Dhaenens.

Het lijkt er dus sterk op dat Huts niet in de eerste plaats een tentoonstelling wilde maken, maar een gedachtengoed op het verleden wil projecteren: het waren de vrije, kritische ondernemers en alleen zij, die het middeleeuwse Vlaanderen tot welstand en pracht brachten. Wat Huts met in ‘Voor God en Geld’ met de kunst doet, doet denken aan hoe Hendrik Conscience in De leeuw van Vlaanderen de Guldensporenslag romantiseerde om er een nieuw, maar historisch gezien vals, nationalistisch gevoel aan vast te haken. Een retorisch trucje dat zo oud is als de straat, maar nog steeds wonderlijk effectief. De (kunst)geschiedenis blijkt nog steeds de dienstmaagd van de machtigen.

Heleen Debruyne.