Ga naar hoofdinhoud

Luister Live

Programma's

Select

Podcasts

Doe mee

Playlist

Updates

blijf verwonderd!

jazz

klassieke muziek

kunst & cultuur

Afbeelding van het programma: Pompidou

Pompidou

Christophe Vekeman leest J.J. Voskuil

kunst en cultuur

ma 26 sep. - 3:56

Toen de Nederlandse schrijver J.J. Voskuil zijn zevendelige romancyclus 'Het bureau' publiceerde, ontstond er een ware Voskuil-mania. Nu kunnen we de schrijver beter leren kennen in zijn dagboeken. Christophe Vekeman had zich die kennismaking liever bespaard.
Welke geheimen vallen er te ontdekken in de dagboeken van schrijver J.J. Voskuil?

Van de Nederlandse schrijver J.J. Voskuil (1926-2008) ben ik nooit een fan geweest – niet omdat ik zijn werk niet goed vond, maar omdat ik zijn werk niet kende. In die zin valt het misschien een weinig tegennatuurlijk te noemen om in dat laatste verandering te brengen door niet met een van zijn romans, maar daarentegen met het eerste, zonet verschenen deel van zijn dagboek te beginnen. Anderzijds biedt een en ander me wel de gelegenheid om te proberen te vertellen of dit dagboek ook iets heeft te bieden aan mensen die rond de eeuwwisseling niet ten prooi waren aan wat toen ‘de Voskuilgekte’ werd genoemd.

Bijna een man heet het boek, en het beslaat de jaren 1939 tot 1955, wat wil zeggen: tot twee jaar voordat Voskuil op 31-jarige leeftijd in dienst zou treden bij het Meerten Instituut, waar hij dertig jaar aan de slag zou blijven om vervolgens, na zijn afscheid, zijn zevendelige, ongeveer vijfduizend pagina’s tellende en vanaf 1996 de voornoemde gekte veroorzakende romancyclus Het bureau op deze werkervaring te baseren.

Goed en wel beginnen doet Bijna een man in 1943, als Voskuil zeventien is en uit alles blijkt dat ook tijdens een oorlog het leven soms gewoon doorgaat: Voskuil voetbalt, doet aan amateurtoneel, is verliefd, is jaloers en vindt daarnaast ook nog de tijd er vrij behoudsgezinde meningen op na te houden: ‘Leo vindt dat man en vrouw gelijk zijn, ik dat de vrouw de man moet gehoorzamen.’ Ook voor humor is er ruimte: ‘Mijn veter is vanochtend voor de zoveelste keer gebroken. Evenzogoed is er in Artis een jong nijlpaard geboren.’

Een jaar later, echter, tijdens de beruchte hongerwinter, toont de oorlog een veel grimmiger gelaat. Voor wie meent dat hij tijdens de voorbije lockdowns werkelijk afgezien heeft, citeer ik graag de volgende passage: ‘Niemand had ooit gedacht dat hij van vier boterhammen, twee aardappelen en een paar gram kaas per dag kon leven, maar niemand kon ook vermoeden dat alle menselijkheid zo gauw overboord zou gaan. Er wordt gestolen, geroofd, geplunderd. (…) Als de post een pakje brengt (als hij het brengt en niet achterhoudt) grommen en grauwen de buren achter de vitrages. (…) Wie kon vermoeden dat dit dier zo weinig mens en zoveel dier is?

Ook aan andere passages uit die tijd valt gemakkelijk te merken dat hier iemand de pen voert met een aanzienlijk literair talent, en algauw zien we dan ook het idee ontstaan om een roman te schrijven, die naar Voskuil meent Gesprekken met anderen zou kunnen heten.

Lousje,’ deelt hij mee, ‘is er rotsvast van overtuigd dat het me lukken zal.’ Het is deze Lousje die in 1950 zijn vrouw zal worden en ook levenslang zal blijven, al blijkt eerlijk gezegd althans uit dit eerste deel van Voskuils dagboek niet dat zij een heel belangrijke, doorslaggevende rol in zijn leven of belevingswereld heeft gespeeld: het moment dat hij noteert dat zij inderdaad getrouwd zijn (‘De huwelijksplechtigheid was een farce’) komt voor de lezer als een verrassing, en als hij later verslag uitbrengt van zijn reizen met zijn vrouw, bijvoorbeeld, doet hij dat weliswaar in de wij-vorm, zonder dat er verder echter heel veel aanwijzingen zijn dat zij inderdaad daar in het buitenland eveneens van de partij is.

Veel meer aandacht gaat vanaf met name 1948 uit naar introspectie, zelftwijfel, zelfdefiniëring, de wens om te schrijven en tezelfdertijd het niet-verlangen om schrijver te worden. Lezen doet Voskuil bepaald ongraag: ‘Ik zou voor geen enkel boek mijn hand laten afkappen. De meeste zijn achteraf bergen van verveling.’ Elders luidt het onder meer dat hij lezen ‘flauwekul’ vindt, en ronduit een hekel heeft hij aan het werk van zulke sterk van elkaar verschillende giganten als Hemingway, Sartre, Du Perron, Bert Schierbeek, Lermontov, Toergenjev, Nietzsche, Gide et cetera. Wel genade vinden in zijn ogen, bij momenten toch, lang niet altijd, Kafka en de in die tijd uiteraard nog erg jonge Hermans en Reve.

J.J. Voskuil

Hier voert iemand met een aanzienlijk literair talent de pen.

Met name de invloed van De avonden laat zich naarmate het dagboek vordert – en het zowaar zijn best lijkt te gaan doen om de voornoemde titel Gesprekken met anderen te verdienen – buitengewoon sterk gelden: de introspectieve gedeelten en overvloedige zelfbeschouwingen à la ‘De ironie wil dat ik, schrijvend over mezelf, de woorden gebruik van wie ik niet ben. De ironie wil dat ironie en scepsis mijn kwaliteit en mijn ongeluk zijn’ worden van langsom aan meer afgewisseld met de weergave van conversaties tussen Voskuil en zijn vrienden – of tussen zijn vrienden onderling –, waarbij vooral blijkt dat vrij velen van die vrienden ondanks al hun studentikoze grolligheden zichzelf erg serieus nemen en hartstikke ambitieus zijn, en net als in De avonden ook dol zijn op gruwelijkheden.

Reve zelf verschijnt trouwens in schaduwvorm ten tonele in de volgende passage, wanneer iemand een verhaal navertelt dat hij op een feest uit Reves mond vernomen heeft: ‘“Er was een familie,” begon hij, “en daar was ook een oom in huis. Na een poosje ging de baby zo raar doen. (…) En toen hebben ze die oom gevolgd en door een spleet in de deur, dat is een echt Van het Reve-detail, door een spleet in de deur zagen ze dat die ook onaneerde in de mond van die baby.”’

Is Bijna een man de moeite waard, ook voor de niet-Voskuilfanaat? Zelf noteert hij: ‘Ik kan Multatuli niet lezen omdat ik hem een rotkerel vind, tot in zijn leestekens.’ Bij een dagboek speelt de appreciatie van de persoonlijkheid van de schrijver uiteraard een nog veel grotere rol dan gewoonlijk, en mij blijkt, al kan je het natuurlijk niemand kwalijk nemen dat hij het in zijn dagboek in de eerste plaats over zichzelf heeft, Voskuil te zeer een man te zijn geweest die zichzelf buitenmatig interessant vond om hem op mijn beurt interessant te kunnen vinden. Ik zal zijn andere werk niet leren kennen. 

Christophe Vekeman

Bijna een man. Dagboeken 1939-1955 van J.J. Voskuil is verschenen bij Van Oorschot

Meer zoals dit...

Blijf op de hoogte

Wil je wekelijks het beste uit de wereld van kunst en cultuur, klassieke, jazz- en wereldmuziek? Schrijf je in op onze nieuwsbrief!

Volg ons op
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Jobs

Privacy

Gebruiksvoorwaarden

Heb je een vraag?

Contact

Wedstrijdreglement

Logo UitInVlaanderenLogo Cim Internet