Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Misselijkmakende prak van een bewonderingwekkende keukenprins

Misselijkmakende prak van een bewonderingwekkende keukenprinsKunst & Cultuur

Christophe Vekeman heeft ons gewaarschuwd: 'De zomer van het aas' van schrijver Simon Johannin is in staat onze avondmaaltijd te vergallen. Maar dan wel door de schoonheid en de kracht van de taal.
de zomer van het aasBorgerhoff & Lamberigts

Simon Johannin schreef een boek waarin hij zelfs de meest misselijkmakende prak tot poëzie weet te verheffen

Dat op televisie om de haverklap gewaarschuwd wordt dat de kijker zo meteen uitzonderlijk aangrijpende en meer bepaald dan gruwelijke, geenszins voor gevoelige zielen bestemde beelden te verwerken zal krijgen, terwijl de radioluisteraar of de lezer van geschreven persstukken nooit eens op dezelfde wijze, met het oog op wat terstond zal volgen, in de gelegenheid gebracht wordt om bijtijds het lezen te staken of zijn toestel zachter te zetten, bewijst wel dat het beeld in onze samenleving in aanzienlijk hoger aanzien staat dan het woord. Alsof het beeld in potentie levensgevaarlijk zou kunnen wezen, maar woorden, of ze nu beluisterd worden of gelezen, per definitie onschadelijk zijn. Natuurlijk zijn er maar weinig dingen even onwaar als dat laatste, en daarom ook zou ik de kans willen benutten om het woord voor één keer au sérieux te nemen…
Dus: zeer geachte dames en heren! Zo meteen zal ik vrij uitgebreid citeren uit 'De zomer van het aas' van Simon Johannin. Ik zal niet overdrijven en dus zwijgen over uw toekomstig zielenheil, maar deze citaten zijn in elk geval in staat om op zijn minst uw avondmaaltijd te vergallen.

Simon JohanninJun Yasui
De 26-jarige Johannin wordt nu al dé schrijver van zijn generatie genoemd

Dat op de eerste bladzijde van de roman een hond wordt doodgestenigd door de ik-figuur en zijn vriendje, die zoals later blijken zal beiden een jaar of tien zijn, en dat er daarna gewag gemaakt wordt van de noodzaak in de zomer elke dag buiten te eten omdat het binnen vol vliegen zit en de vliegenstrips aan het plafond bijgevolg ‘net dikke zwarte kabels’ zijn ‘die zoemen tot alles wat erop zit dood is’, zet enigszins de toon van het boek, maar deze scènes zijn welhaast warmhartige tafereeltjes in vergelijking met wat er een paar bladzijden verderop gebeurt.
Het geval wil namelijk dat er in het Zuid-Franse onherbergzame gehucht waar het verhaal zich afspeelt op een bepaald moment zesenveertig schapen door sadistisch blaffende honden in het nauw gedreven zijn tegen een hek en vervolgens in de drassige kuil waarin zij aldus belandden elkander reddeloos hebben verstikt. Zo afgelegen ligt het bergdorpje dat de vilder pas over ten vroegste twee weken kan komen opruimen, met tot gevolg dat de dieren dag na dag in de hitte verder liggen op te zwellen en vervolgens tot ontploffing overgaan. Wat de kinderen dan weer de gelegenheid biedt om een spel te spelen: wie houdt het het langst uit in de doodsgeur die de explosieve kadavers afscheiden?

‘Het was keigrappig we brachten er uren mee door tot we zelf ook van die aasgeur doordrenkt waren, en toen op een dag was er een van ons die struikelde en op de dooie schapen viel. Met zijn armen vooruit in de slijmerige hoop, we moesten aan de kraag van zijn hemd trekken om hem eruit te halen, want de dierenlijven waren helemaal vermengd geraakt in een vettige stapel rottenis, hij kon nergens op leunen om los te komen zodat hij elke keer als hij dat probeerde nog dieper wegzonk. Wij brulden van het lachen, zo grappig was het dat hij helemaal bedekt was met die troep die nog erger was dan stront, en de kinderen die de zwakste magen hadden moesten braken toen hij op ons af kwam. Het zat overal, haast tot in zijn mond, zijn blonde krullen dropen van het vreselijk gore bruine sap, en de wormen die aan zijn handen kleefden, die zouden ze zelfs voor het vissen niet hebben genomen.’

Op dit moment zijn we nog altijd maar zeven pagina’s ver in het boek, waarin voorts tegen de hoogste sterren op gezopen en gevreten en gevochten wordt door mannen, volwassenen, schooiers die, al dan niet met in de hals een zelfaangebrachte Mickey Mouse-tatoeage, ‘bezwijken onder het gewicht van de wereld’, wier ‘blik dwars door muren’ gaat en zich dan ‘vastwerkt in het verleden’, om wier ziel ‘een snijdend scherpe geur hangt’, die ‘door de kelders van de wereld waren getrokken’ en nu ‘dansen tot ze erbij neervallen op de bodem van de nacht’.

Dus: zeer geachte dames en heren! Zo meteen zal ik vrij uitgebreid citeren uit De zomer van het aas van Simon Johannin. Ik zal niet overdrijven en dus zwijgen over uw toekomstig zielenheil, maar deze citaten zijn in elk geval in staat om op zijn minst uw avondmaaltijd te vergallen.

En na dit laatste ruikertje citaten wordt wellicht duidelijk dat 'De zomer van het aas' wel degelijk iets heeft te stellen tegenover de kaas met maden die er met smaak in wordt verorberd, tegenover de fluimen ‘die dik zijn als geklutste eieren’ die er eveneens à volonté in voorkomen, en tegenover de algehele helse lelijkheid die het onderwerp van dit extreem smerige boek vormt. En wát er tegenover wordt gesteld is de schoonheid en de kracht van de taal – taal die in staat is ook uit het verderfelijkste een vorm van poëzie te puren en zelfs een kindertijd als die van het hoofdpersonage te vergulden op een wijze dat de jongen zelf er achteraf, wanneer hij vijftien is geworden, zowaar met iets als nostalgie op terugkijken kan. ‘We vraten tabak en dompelden het einde van onze kindertijd onder in goedkope alcohol. Nu al was het te snel gegaan.’

De twee laatste, zeer korte delen van de roman, waarin de ik-figuur, tot in het beendermerg aangevreten door het vernietigend gebruik van drugs en de gevolgen van een verzengende liefde, aan zichzelf ten onder gaat zonder al te veel vooruitzichten op een spoedig herstel, bevestigen inderdaad alleen maar dat het ergste nooit achter de rug ligt, maar ook hier is het de – ondertussen fel geëvolueerde – taal van de verteller die al met al nog het sterkst weet te verbluffen, zozeer zelfs dat je, wanneer je vergelijkingen wil gaan maken, vanzelf bij zeer grote schrijvers terechtkomt. Bij William S. Burroughs, bijvoorbeeld, wiens Naked Lunch nog smakelijke kost genoemd moet worden vergeleken met 'De zomer van het aas', dat toch werkelijk misselijkmakende prak is. Maar wel van de hand, onmiskenbaar, van een bewonderingwekkende – en overigens amper zesentwintigjarige – keukenprins.

Christophe Vekeman

'De zomer van het aas' is verschenen bij Borgerhoff & Lamberigts

Uit het Frans vertaald door Rokus Hofstede

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Samenstelling: Vincent Goris

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.

Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Facebook
Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Instagram