Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Ontdekkingen en opgewarmde kost op de Dansbiënnale van Venetië

Ontdekkingen en opgewarmde kost op de Dansbiënnale van VenetiëKunst & Cultuur

Dansrecensent Pieter T'Jonck ging voor ons naar de Dansbiënnale van Venetië. Een verslag.
© Bill Cooper

'A quiet evening of dance' van William Forsythe

De ‘Biennale de la danza’ is de jongste telg van de Biënnale van Venetië. Dit dansfestival gaat, ondanks de titel ‘biënnale’ trouwens elk jaar door, net zoals de biënnale voor muziek, theater en film. Daar horen telkens onderscheidingen bij. De ‘Gouden leeuw’ eert ‘lifetime achievement’. Dit jaar viel die eer de Italiaanse choreograaf Alessandro Sciarroni te beurt. De ‘Zilveren leeuw’ zet dan weer opmerkelijk nieuw werk in het zonnetje. ‘Affordable Solution for better Living’ van Théo Mercier en Steven Michel sleept die trofee deze keer in de wacht. Mooi nieuws voor een Belgische productie van het Gentse Campo die in eigen land ten onrechte onder de radar bleef.

De dansbiënnale is niet zo oud. Ze splitste zich pas in 1999 af van de theaterbiënnale, die al bestaat sinds 1934. De idee was toen om de historische stad te gebruiken als decor voor stukken als ‘De koopman van Venetië’ van William Shakespeare. Dat concept was baanbrekend: het liep bijvoorbeeld ver vooruit op het latere Festival d’ Avignon, maar onder druk van de toerisme tsunami stierf het een stille dood.

Het lijstje van ‘Gouden Leeuwen’ oogt erg prestigieus. Quasi alle groten van de hedendaagse dans ontvingen ze, van choreografen als William Forsythe, Lucinda Childs, Trisha Brown, Meg Stuart of ook Anne Teresa de Keersmaeker tot een prima ballerina als Sylvie Guillem. De Zilveren Leeuw heeft dan weer een grote signaalwaarde. Eerdere winnaars als Marlene Monteiro Freitas of Dana Michel zagen hun ster sindsdien pijlsnel stijgen aan het Europese dansfirmament. Daaruit blijkt dat de Zilveren Leeuw de vinger aan de pols houdt van al wat hip en nieuw is in de wereld van de dans.

Een teleurstellende Gouden Leeuw

Sciarroni is een beetje een vreemde eend in de bijt van winnaars van de Gouden Leeuw. Afkomstig uit de beeldende kunst creëerde hij zijn eerste choreografie pas in 2008. Het oeuvre verraadt ook zijn ‘roots’ als beeldend kunstenaar. Hij vertrekt vaak van een eenvoudig gegeven, zoals volksdansen of paralympische sportmatchen, die hij door eindeloze herhaling uitbeent tot hun fysieke essentie. Dat bleek ook op dit Festival dat opende met een ouder, kort werk en een nieuwe creatie.

‘Your girl’ uit 2007 is tamelijk onthutsend. Vooraan op het podium zit Chiara Bersoni in een rolstoel omdat een ernstige groeistoornis haar het lopen bemoeilijkt. Midden op het podium een container van een industriële stofzuiger, zonder slang. Achter op het podium kijkt een man, Matteo Ramponi, tussen lianen van aan elkaar geknoopte sportkousen stilzwijgend toe.

De vrouw klautert met moeite uit haar rolstoel, en plukt één na één de kunstbloemen van katoen van haar hemd. Terwijl ze die ontrafelt speelt ze het kinderspelletje ’Hij houdt van mij/hij houdt niet van mij’. Daarna stopt ze de bloemen in de stofzuiger, ongeacht de uitkomst. Na de bloemen verdwijnen ook haar kleren in de stofzuiger. Zo eindigt ze poedelnaakt.

Pas dan vervoegt Ramponi haar. Ook zijn kleren verdwijnen één na één in de stofzuiger, tot hij even naakt naast de vrouw staat. Het contrast tussen zijn atletische lijf en dat van de vrouw steekt de ogen uit. Hun onwennigheid is meteen ook die van de kijker. Maar toch volgt, in de allerlaatste seconde, een schuchtere poging tot een tedere aanraking. Net dat is onthutsend, niet omwille van de aanraking of de naaktheid, maar omdat die aanraking je als kijker confronteert met je vooroordelen over ‘passende’ lichamen en verhoudingen.

Vergeleken daarbij was ‘Augusto’, dat hier zijn première kende, een afknapper. De titel verwijst naar de clownsfiguur August. Een uur lang krijgen negen performers een lachbui, of zelfs de slappe lach. Al dat gelach werkte echter niet erg aanstekelijk. Daarvoor deed het net iets te artificieel aan. Zo’n oefening eindigt dan al heel snel als een vervelende slag in het water. Niet echt om te lachen.

Krasse analyse

Het zal Sciarroni wellicht niet lekker gezeten hebben dat ‘Affordable solution for better living’ van Théo Mercier en Steven Michel hem de loef afstak in conceptuele scherpte en theatrale panache. De twee kunstenaars komen uit een totaal verschillende hoek. Mercier is actief als beeldend kunstenaar. Hij is sterk begaan met het ‘leven’ van materiële objecten. Hij koppelt ook vaak live performance aan zijn tentoonstellingen. Bij zijn solo ‘The thrill is gone’ in het MAC Marseille was danser François Chaignaud zo te gast. Bij die gelegenheid maakte hij ook kennis met Steven Michel.

Michel werd opgeleid als mimespeler in de traditie van Marcel Marceau, en heeft iets met het lichaam als een puur object. Mercier en Michel zijn daardoor in zekere zin elkaars tegenpolen, maar net daarin vonden ze elkaar. Omdat Michel al lang in België woont en werkt, kwamen ze bij Campo terecht voor hun eerste gezamenlijke werk.

Het uitgangspunt was een simpel idee: een lichaam benaderen als een anatomische plaat van het lichaam of het spierstelsel. Alsof het een soort bouwdoos was. In een eerste bedrijf komt Michel op in een nauwsluitend pak dat zijn hele lichaam, hoofd inbegrepen, omspant. Het is bedrukt met een geabstraheerd beeld van de ‘ideale’ witte man, gespierd en breed. Michel oogt zo als een soort Ken, het vriendje van de speelgoedpop Barbie. In die gedaante demonstreert hij, al tellend, allerlei lichaamsposities. Soms zo elegant als een ballerina, meestal hoekig en stram als een houten klaas, die bij het minste onevenwicht omvalt en keihard de grond op smakt.

De actie neemt een nieuwe wending als hij een handleiding voor een ‘Kallax’ kast van IKEA ter hand neemt. Terwijl hij die bestudeert geeft een lijzige vrouwenstem allerlei tips voor een goed leven. Die klinken als variaties op de instructies voor de bouw van zo’ n kast. ‘Wees niet ongerust’, ‘Denk niet teveel na’, ‘Blijf positief’, ‘Vergissingen zijn mogelijk, maar niet onoverkomelijk’. En raar maar waar, de mechanische gang waarmee Michel de kast echt monteert, doet hem stapsgewijze veranderen in een mens die zo zelfvoldaan gelukzalig is dat hij wel een eeuwig ‘happy’ robot lijkt. Ondertussen gaat de stem maar door met goede adviezen over hoe je een ideale werknemer kan zijn, of een goede mens, en hoe het geluk je toelacht als je maar positief denkt.

De kast is nog niet goed en wel klaar als helpers een heel interieur aandragen van IKEA: een kast, een tafel, een bureaustoel, een lamp, een zetel, zelfs een speelpark voor kleuters. Dat standaard interieur verheft ‘Ken’ tot een hedendaagse Elkerlyc, die de vruchten plukt van zijn door hard werken verdiende huisraad. Maar eerst stroopt hij zijn ‘huid’ af. Daaronder schuilt een tweede pak dat de spieren en pezen onder de huid weergeeft, als een anatomische plaat die tot leven kwam. In die gedaante gaat Michel een innige relatie met zijn spullen aan, alsof hij er zich helemaal mee identificeerde. Het is een knotsgekke ontwikkeling, vol briljante vondsten.

Maar ondanks alle overdrijving is die evolutie ook wat griezelig. Niet omdat ze zo vreemd is, maar omdat ze al te herkenbaar is. De ‘persoonlijkheid’ van deze Elkerlyc valt steeds meer samen met de verhaaltjes en beloftes die rond zijn ‘ideale’, maar o zo banale huisraad hangen. Het is alsof zijn innerlijk niet meer was dan de optelsom van pseudo-dromen en -wijsheden die gratis meegeleverd worden met IKEA spullen. Zijn huisraad bepaalt hem eerder dan andersom. Zo groeit ‘Affordable solution’ uit tot een kritiek 2.0 op het warenfetisjisme dat Karl Marx al hekelde. Of is het een dolgedraaide illustratie van de disciplineringsmechanismen die Michel Foucault in de moderne samenleving ontwaarde? Faut le faire.

Terugkeer van een grootmeester

Het Festival kende na de openingsavond enorme hoogtes en laagtes. Artistiek leider Marie Chouinard haalde een aantal oude, zelfs zeer oude, voorstellingen van stal, maar je had er het raden naar waarom ze dat deed. ‘Impromptus’, een voorstelling uit 2004 van Sasha Waltz, is een goed voorbeeld. Waltz heeft in de Duitstalige wereld een grote reputatie. Ze schopte het ondertussen zelfs tot artistiek leider van het Staatsballett Berlin. Toch doorstond dit stuk, ondanks zijn faam, de tand des tijds niet zo goed. Het heeft een vrij zwakke choreografische structuur die vooral steunt op beelden die nu gezocht overkomen. De relatie met de muziek van Franz Schubert is soms ver zoek als Waltz de maat van de muziek negeert. Maar hier zijn wel sterke dansers, van verschillende generaties, samen aan het werk, en dat levert nog steeds mooie momenten op.

Dat kon je niet beweren van ‘Ilinx’, een solo van Simona Bertozzi uit 2008. Ze ‘verkent’ daarin ‘de onpeilbare diepten van haar innerlijk’. Dat levert een structuurloze brij van pathetische bewegingen op die in 2008 al achterhaald moesten aanvoelen. To add grief to anger gooide Chouinard daar twee werkjes van de nog jonge choreografen Michelle Moura (BR) en Katia-Marie Germain (CA) bovenop. Zij molken telkens een klein ideetje eindeloos uit. Een festival onwaardig.

Gelukkig waren er ook hoogtepunten, zoals ‘A quiet evening of dance’ van William Forsythe, een productie voor het Sadler’s Wells Theatre in Londen uit 2018. Forsythe verbrak met dat stuk de stilte na het opdoeken van zijn compagnie in 2015. ‘A quiet evening’ brengt ouder werk samen met een nieuwe creatie, maar wel zo dat je het onderscheid niet eens merkt.

De kern van het werk is het duet ‘Catalogue’. Jill Johnson en Christopher Roman demonstreren daarin quasi achteloos, en in totale stilte, de choreografische gereedschapskist van Forsythe. Die komt van pas als het briljante ensemble van zeven dansers zich daarna uitleeft op muziek van Morton Feldman en Jean-Philippe Rameau. Ze demonstreren wat je kan doen met de klassieke vormentaal -Balanchine spreekt hier een aardig woordje mee- maar voegen daar bijvoorbeeld ook acrobatische stunts aan toe die niet zouden misstaan in streetdance. Heerlijk.

Een klein pareltje

Chouinard haalde nog een andere oude voorstelling naar het festival. ‘Un poyo rojo’, wat zoveel betekent als ‘een rode kip’, van het gelijknamige Argentijnse ensemble toert al zowat tien jaar de wereld rond, maar was in West-Europa zelden te zien. De scenografie bestaat uit niets meer dan een paar lockers, een zitbank, een grote draagbare radio en wat handdoeken. Genoeg om de sfeer van een kleedkamer in een sportclub te suggereren.

Twee mannen hangen hier rond. Ze zetten landerig wat pasjes, maar laten tersluiks toch voelen dat ze meer in hun mars hebben. Het duurt niet lang of ze raken verwikkeld in competitie om wie de ‘strafste’ is. Maar dat haantjesgedrag verhult nauwelijks de erotische spanning die in de lucht hangt. Agressie en competitie gaan gelijk op met seksuele verleiding. Daarvoor halen de twee heren, Nicolas Poggi en Luciano Rosso, alles uit de kast. Dat is heel wat: grappend en grollend etaleren ze een verbazende mix van clownerie, acrobatie, ‘vogueing’, ballet en moderne dans. Daar steken ze dan ook nog eens behoorlijk de draak mee.

Hoogtepunt is het moment dat Rosso een goede zender zoekt op de radio; Poggi maakt al wat hij hoort belachelijk. Pure improvisatie, want wat je hoort zijn echt live uitzendingen, geen vooraf opgenomen tape. Het Italiaanse publiek gniffelde niet weinig als ze de Paus zalvende woorden hoorden spreken, terwijl Poggi oren, neus en mond vol sigaretten stopte.Je ziet het zelden: hedendaagse dans met een forse dosis slimme humor. De klacht dat hedendaagse dans moeilijk te begrijpen valt, al te abstract is, verliest hier elke grond. Dit is kritisch, geestig én toegankelijk. De voorstelling is in het najaar te zien in cultuurcentra in het hele land. Een aanrader. Ook voor wie een broertje dood heeft aan dans.

Pieter T’Jonck