Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Ouwemannenproza van Jan Cremer

Ouwemannenproza van Jan CremerKunst & Cultuur

Christophe Vekeman las 'Odysse. Fernweh' van Jan Cremer, verschenen bij De Bezige Bij.
Jan Cremer, Odyssee. Fernweh

Jan Cremer, Odyssee. Fernweh

Zoals in Vlaanderen Hendrik Conscience de eer geniet zijn volk te hebben leren lezen, zo nam boven de Moerdijk in 1964 het volk zélf de pen ter hand teneinde literatuur te bedrijven. Literatuur, jazeker, want Jan Cremer mocht dan wel ‘van de straat zijn’, en ‘een nozem’, zijn ‘onverbiddelijke bestseller’ Ik Jan Cremer baadde wel degelijk in een uitgesproken literaire context, met motto’s van Molière, William Blake en Willem Frederik Hermans, met Gerard Kornelis van het Reve die in Nader tot U Cremer zijn zegen gaf, en vooral dankzij het feit dat het boek verscheen bij De Bezige Bij, in die tijd nog een onweerlegbaar waarmerk van je reinste kwaliteit.

In 1972 zou Cremer het op zijn beurt als volgt formuleren: ‘De Bezige Bij werd door mij uit de anonimiteit getrokken. Het was zelfs zo dat klanten een boekwinkel binnenslopen om mijn boek te kopen, dat uitverkocht was en schichtig om zich heen kijkend, fluisterden: “Geef dan maar iets anders van de Bezige Bij” en thuiskwamen met een boekje vol moeilijke kletskoek van Mulisch of Vlaamse aardappelpuree van Claus.’

Later volgden Ik Jan Cremer Tweede boek en, in 2008, ook nog het derde deel, terwijl hij inmiddels, in 1983, tevens de vijftienhonderd bladzijden tellende trilogie De Hunnen had gepubliceerd.

Ik Jan Cremer, verschenen in 1964
Ik Jan Cremer, verschenen in 1964

Ook Fernweh, Cremers gloednieuwe roman, is het eerste deel van een ‘romancyclus’, die Odyssee geheten is, en de achterflaptekst heeft meteen al een geweldige verrassing te bieden door gewag te maken van ‘een ingetogen stijl’. Jan Cremer, de schrijver van het kapitale uitroepteken die zich ‘een ingetogen stijl’ heeft aangemeten? Hoezo wablief wat krijgen we nu!?!

Laten wij, wat de stijl betreft waarin dit boek geschreven is, maar met de deur in huis in vallen, uitstel heeft tenslotte weinig zin: waar een roman als Ik Jan Cremer ruim een halve eeuw geleden nog onweerlegbare charme vermocht te ontlenen aan des schrijvers recht-voor-z’n-raapse wijze van formuleren, daar doet in een tijd waarin schamel en slordig schrijven de heilige norm is geworden deze zelfde manier van uitdrukken helaas belegen, saai en zelfs ergerlijk aan, – er valt nauwelijks een alinea in Fernweh aan te treffen die niet als examenmateriaal zou kunnen dienen om aspirant-eindredacteurs te testen: ‘Maak van deze zinnen correct Nederlands!’ Cremer heeft het over ‘hele of halfnaakte vrouwen’ en schrijft ‘Wij leden geen kou of hadden het te warm’ – van dit soort ingetogen stijlbloempjes zijn er honderden voorbeelden te geven. De zesenzeventigjarige Cremer is op zijn oude dag ook bekeerd tot de filosofie. ‘Ik had door de Duitsers doodgeschoten kunnen zijn, maar dan had u dit niet gelezen,’ mijmert hij diepzinnig, waarna hij even later verzucht, een boek van Sartre onder de arm: ‘Het eigenaardige van het leven is dat het bestaat uit bizarre toevalligheden.’

 

Er valt nauwelijks een alinea in Fernweh aan te treffen die niet als examenmateriaal zou kunnen dienen om aspirant-eindredacteurs te testen.
Christophe Vekeman over Fernweh van Jan Cremer

Goed, maar waar gáát Fernweh nu eigenlijk over? Wel, Fernweh gaat over de vader van Jan Cremer, iemand die graag zijn professionele bezigheden als elektrotechnicien tijdenlang onderbrak om per fiets naar Syrië, Palestina of Barcelona te rijden en daar journalistiek werk te verrichten, en die in 1937 een Rózsa genaamde serveerster in een café te Boedapest ontmoette. De schoonheid in kwestie, met haar negentien lentes een veertigtal jaren jonger dan hij, laat zich min of meer tegen haar zin door de smoorverliefde Cremer meetronen naar Nederland, meer bepaald naar Enschede: ‘Zodra ze in de Emmastraat aankwam, barstte ze in een onbedaarlijke huilbui uit.’ Tot haar dood in 2001 zou ze haar man, die stierf toen zijn zoontje – Jan Cremer dus – twee was, even hard blijven haten als Nederland en de Nederlanders. In 1979 begon ze aan een boek over haar leven, in het Hongaars. De titel: Mijn tocht door de hel. ‘Ze weigerde het Nederlands goed verstaanbaar te spreken en veinsde het niet te begrijpen.’ En: ‘De naam “Cremer” werd bij ons thuis langzaamaan verbannen en niet meer uitgesproken.’

Het portret van Rózsa, dat ongeveer het laatste derde van het boek beslaat, is bij momenten aangrijpend en hoe dan ook veruit het interessantste deel van de roman, inclusief passages die de bravoure van de jonge Cremer in herinnering brengen, zoals ‘Nooit ook heeft zij vermoed dat het grote broodmes waarmee ze tot in de jaren zestig nog dagelijks het brood sneed, door mij uit een dode soldaat was getrokken’ – als Cremer de realiteit loslaat en zijn verbeelding gebruikt, geschiedde dat altijd al in de vorm van groteske overdrijving. Het portret van (de onbekende) vader, echter, zou ook wanneer het goed geschreven was maar weinig belangwekkend zijn voor lezers die niet even sterk in Jan Cremer geïnteresseerd zijn en niet even hoog met zijn persoon oplopen als Jan Cremer zelf. 

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Heleen Debruyne

Samenstelling: Chantal Pattyn

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.