Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Pseudopoëzie en kinderpraat

Pseudopoëzie en kinderpraatKunst & Cultuur

De boeken van Tove Ditlevsen, een Deense huisvrouw met een stormachtig leven, zijn bezig aan een wereldwijde herontdekking. Maar Christophe Vekeman is niet onder de indruk.

De boeken van Tove Ditlevsen nemen ons mee naar Kopenhagen in lang vervlogen tijden

Vier keer getrouwd, vier keer gescheiden, en daarnaast een appetijt voor drugs die niet onder stoelen of banken werd gestoken: zo op het eerste zicht zou je Tove Ditlevsen (1917-1976) als de Liz Taylor van de Deense literatuur kunnen omschrijven.

Maar nee, Tove was wel degelijk ‘een huisvrouw uit de arbeidersklasse’, zo wordt ons op een van de zijflappen van Kindertijd medegedeeld, en dat laatste zou er ook de oorzaak van geweest zijn dat ze bij leven nooit veel literaire erkenning heeft mogen oogsten.

‘Hoe anders is dat nu,’ stelt uitgeverij Das Mag opgeruimd vast, want ‘een nieuwe generatie van veelal jonge lezers herontdekt wereldwijd het oeuvre van Tove Ditlevsen.’ Een van die wereldwijde jonge lezers is de drieëndertigjarige Niña Weijers, die het op het achterplat heeft over ‘de stem’ van de schrijfster en ons dienaangaande belooft: ‘Je wilt er eindeloos en ademloos naar luisteren.’

Het is allemaal een kwestie van smaak, zou je kunnen zeggen, maar er is helaas meer aan de hand.

Houd ikzelf na mijn lectuur van Kindertijd eveneens de adem in tot de andere twee delen van de zogenaamde ‘Kopenhagen-trilogie’ van Ditlevsen, respectievelijk Jeugd en Afhankelijkheid getiteld, in Nederlandse vertaling verschijnen?

Niet echt, eerlijk gezegd, en de voornaamste reden van mijn gebrek aan grote geestdrift is juist, jawel, de genoemde stem van de schrijfster. Laat ons voor een keer beginnen met de laatste zin van het boekje, die als volgt luidt: ‘Ik lees in mijn poesiealbum terwijl de nacht langs het raam wandelt en zonder dat ik het doorheb, glijdt mijn kindertijd stilletjes naar de bodem van mijn herinneringen, die bibliotheek van het gemoed, waaruit ik voor de rest van mijn hele bestaan kennis en ervaring zal opdiepen.’

Je moet ervan houden, zou je kunnen zeggen, van die gezwollen toon waarop iemand met loden ernst terugkijkt naar het einde van haar kindertijd, het is allemaal een kwestie van smaak – maar er is helaas meer aan de hand. Het probleem met deze herinneringen is namelijk dat de genoemde toon absoluut niet consequent wordt volgehouden, en dat er bijgevolg van stemvastheid al te weinig sprake is.

Tove Ditlevsen

Zinnen als de slotzin of passages als ‘Er zijn in het leven bepaalde vaststaande feiten. Ze zijn rigide en onbeweeglijk als de straatlantaarns, al veranderen die tenminste ’s avonds nog, als de lantaarnopsteker ze met zijn toverstaf heeft aangeraakt. Dan stralen ze als grote, tere zonnebloemen in het smalle grensgebied tussen nacht en dag, waarin alle mensen zich langzaam en zwijgend voortbewegen, alsof ze op de bodem van de groene zee lopen’, die getuigen van een geweldige ambitie van de vijftigjarige schrijfster om het zo poëtisch mogelijk te formuleren, worden immers afgewisseld met mededelingen als ‘Ooit zal hij ambachtsman worden. Dat is iets heel goeds’ of ‘Edvin is knap en ik ben lelijk. Edvin is slim en ik ben dom’, met als nogal griezelig gevolg dat je soms plots een vrouw van middelbare leeftijd met een kleuterstem hoort praten, in een poging de herinneringen aan haar kindertijd zo authentiek als mogelijk te laten klinken. Die poging, echter, mislukt, en zowel het register van de pseudopoëzie als dat van de kinderpraatjes doet, zeker in combinatie met elkaar, ergerlijk onecht en kitscherig aan.

Ergerlijk onecht en kitscherig.

Wat het boek niet redt, is dat het niet veel meer dan juist die stem van Tove, zoals ook de ik-figuur heet, te bieden heeft. In het begin van het verhaal is ze vijf jaar, en aan het eind veertien. Daartussenin twijfelt ze aan de liefde van haar kille, harde moeder voor haar en aan haar eigen liefde voor haar welmenende vader, en worstelt het angstige, zwaartillende, voorlijke meisje, dat op haar zesde al zichzelf lezen en schrijven heeft geleerd, sowieso erg met de constatering dat ze ‘geen echte gevoelens’ heeft, ‘maar altijd moet doen alsof dat wel zo is door de reacties van anderen na te apen.’

Groot en oprecht verdriet kent ze slechts wanneer een redacteur haar gedichten afwijst, want ze wenst later – al schijnt dat onmogelijk te zijn voor een meisje – een gevierd dichter te worden. Verder komt natuurlijk ook nog de obligate ontdekking, nietwaar, van de seksualiteit aan bod, compleet met de bange verbijstering die de eerste menstruatie met zich meebrengt, en hier en daar is er zelfs ruimte voor een voorzichtig streepje wrange humor.

‘“Het wordt vast debiel, net als Mooie Ludvig,” zegt Minna hoopvol. “Dat worden kinderen als ze in een dronken bui zijn gemaakt.” “Welnee,” zegt Ruth, “dan zouden de meesten van ons toch debiel zijn.”’

Ongetwijfeld maakte een en ander, toen Kindertijd in 1967 in het Deens verscheen, een minder belegen indruk, maar vandaag kan ik mij bij de enthousiaste ‘nieuwe generatie van veelal jonge lezers’ tot mijn spijt niet aansluiten.

Christophe Vekeman

'Kindertijd' van Tove Ditlevsen is verschenen bij Das Mag
Uit het Deens vertaald door Lammie Post-Oostenbrink

Pompidou

Klara’s dagelijkse ontmoeting met de wereld van de kunst. Chantal Pattyn en Nicky Aerts brengen uiteenlopende gasten rond de tafel onder het motto ‘Alles voor de kunst!’

Presentatie: Chantal Pattyn / Nicky Aerts

Samenstelling: Chantal Pattyn

Contact: via de reageerknop in de Klara-app of via pompidou@klara.be

Van maandag tot en met donderdag, telkens van 17 tot 18 uur op Klara, klara.be en de Klara-app.
Nadien is de uitzending nog 2 weken lang te herbeluisteren via de site en de app.

En Pompidou kan ook gedownload worden als podcast. Zo kan u een uitzending steeds bewaren voor later.

Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Facebook
Klik hier en bekijk wat Pompidou te bieden heeft op Instagram