Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Revolusi - Aflevering 2

Revolusi - Aflevering 2Blijf verwonderd!

Op 17 september 1901 houdt koningin Wilhelmina haar troonrede. In een opmerkelijke passage zegt ze dat Nederland ‘als Christelijke Mogendheid’, ook een ‘zedige roeping’ te vervullen heeft in haar kolonie.

Luka van Diepen

Kolonialisme mag voortaan niet alleen om westers winstbejag draaien; de plaatselijke bevolking moet er zelf ook iets aan hebben. Dat is het begin van de ‘ethische politiek’, een periode van twintig jaar waarin de ontwikkeling van land en volk meer aandacht krijgt. Meer economische kansen, modernere gezondheidszorg, intensiever zendingswerk en betere infrastructuur. Hoewel de periode 1900‑1920 de progressiefste uit de hele koloniale geschiedenis is, blijkt ze niet gespeend van innerlijke contradicties: de ethische politiek vraagt meer waardering voor de inheemse cultuur, maar zet tevens in op verwestersing; Het is geven en vasthouden tegelijk.

Maar op het gebied van het onderwijs zorgt ze wel voor een omslag. Er wordt flink geïnvesteerd, vooral dan in het lager onderwijs. In het hoger onderwijs is er eigenlijk maar één optie: medicijnen. De kolonie heeft een schrijnend gebrek aan medisch personeel, dat hadden de cholera‑epidemieën wel duidelijk gemaakt. Vanaf 1899 komt er een volwaardig instituut voor geneeskunde te Batavia : de stovia, School tot Opleiding van Inlandsche Artsen. Op de stovia groeit er voor het eerst zoiets als een nationaal bewustzijn. Op 20 mei 1908 richten studenten de Budi Utomo op, Nobel Streven, een vereniging die de ethische politiek zeer genegen is. Tot de oprichters behoren Soetomo en Tjipto Mangoenkoesoemo, twee van de eerste Indonesische artsen. De vereniging ijvert voor westers onderwijs, handel, techniek en industrie, maar tevens voor de herleving van de oude Javaanse cultuur ‘ter verzekering van een waardig volksbestaan’. Het is de vroegste blijk van politieke organisatie in Indonesië. Nu nog geldt 20 mei als de Dag van het Nationale Ontwaken.
Twee andere stovia‑studenten, Soewardi Soerjaningrat en Tjipto Mangoenkoesoemo, leren de achterneef van Multatuli kennen, Ernest Douwes Dekker, een Indo‑Europeaan. Omdat ze Budi Utomo te braaf en te elitair vinden, lanceren ze met zijn drieën in 1912 de Indische Partij, de eerste politieke partij in de kolonie. Opvallend: ze pleiten dan al onomwonden voor onafhankelijkheid. In 1912! Dat is maar liefst 33 jaar voor de Proklamasi van Soekarno. Wanneer in 1913 het koninkrijk Nederland honderd jaar bestaat, rekent de overheid voor het eeuwfeest op de geldelijke steun van al zijn onderdanen, met inbegrip van de overzeese. Soewardi klimt in zijn pen en schrijft een vlammende, sarcastische tekst in het Nederlands: ‘Als ik eens Nederlander was’.

Doch… ik ben geen Nederlander, ik ben slechts een bruine zoon van dit tropisch land, een inboorling van deze Nederlandse kolonie, en daarom zal ik niet protesteren. Want als ik protesteerde, zou het mij kwalijk worden genomen.”

Soewardi’s woorden vallen niet in goede aarde : hij wordt samen met zijn kompanen Tjipto en Douwes Dekker zonder enige vorm van proces verbannen. In 1914 komt er een strenge beperking op de vrije meningsuiting: ‘haatzaai‑artikelen’ zijn voortaan verboden. Dat die verregaande maatregel meer haat zal zaaien dan de artikelen zelf, lijkt niemand te beseffen.

In 1914 wordt Tjokroaminoto voorzitter van de Sarekat Islam, de Islambond, een vereniging die twee jaar daarvoor in Surakarta was opgericht. Onder zijn leiderschap groeit de Sarekat Islam uit tot een immense moderniseringsbeweging. In 1913 telt de organisatie honderdduizend leden, in 1916 maar liefst zevenhonderdduizend, in 1920 naar eigen zeggen zelfs twee miljoen. Hoewel de beweging aanvankelijk zeer gezagsgetrouw is, bereiden vele Nederlanders zich toch op het ergste voor. Vooral in de pers worden de gemoederen opgehitst. Gouverneur-generaal Idenburg houdt het hoofd echter koel. De oproep tot het gewelddadig neerslaan van de beweging beantwoordt hij gevat: 'Dat zou ik doen als die beweging wortel was en niet vrucht. Als ik nu de beweging onderdruk, blijft de wortel en op die wortel groeit geheime actie.’ In 1916 richt Idenburg wel de Politieke Inlichtingendienst op die het gewoel van de inheemse massa in de gaten moet houden. Op publieke bijeenkomsten zijn voortaan agenten aanwezig die vergaderingen moeten onderbreken wanneer het hun te bar wordt.

Ook in Semarang broeit het. De Nederlands‑Indische Spoorweg Maatschappij heeft er haar hoofdkantoor gevestigd. In deze stad vol spoorwegarbeiders, tenders en machinisten, wordt in 1908 de Vereniging van Spoor‑ en Tramwegpersoneel opgericht. Ze groeit uit tot de etnisch meest gemengde vakbond van Nederlands‑Indië. Semarang is ook de stad waarin een van de merkwaardigste figuren uit de koloniale geschiedenis zijn duivels ontbindt: Henk Sneevliet! In 1913 zet hij voet aan wal in Nederlands‑Indië, niet als ambtenaar of ondernemer, maar als revolutionair socialist. Hij richt de Indische Sociaal‑Democratische Vereeniging (isdv) op, de voorloper van de latere communistische partij. Hij slaagt er ook in om via een jongeman genaamd Semaoen, de Sarekat Islam te infiltreren. Maar in 1918 concludeert de inlichtingendienst dat Sneevliet een staatsgevaarlijke agitator is en wijst hem uit. In mei 1920 richt Semaoen het Communistisch Verbond van Indië (Perserikatan Komunis di Hindia) op, waarvan hij de eerste voorzitter wordt.

Ondertussen hebben de economische gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zich ook tot Indonesië laten voelen : de prijzen zijn er verdrievoudigd tussen 1913 en 1920. De Indonesische arbeiders bleven echter grotendeels slecht georganiseerd en dus karig betaald. Bovendien worden ze ook nog eens zwaarder belast. De nieuwe gouverneur‑generaal Fock schroeft de belastingen op en bezuinigt drastisch op ethische verworvenheden als onderwijs en gezondheidszorg. Stakingen blijven dan ook niet uit. In cementfabrieken, kleermakerijen, meubelindustrieën en dagbladbedrijven komen er speldenprikjes. In pandhuizen legt een vijfde van de bedienden het werk neer. En in de suikerindustrie staken maar liefst twintigduizend arbeiders. Fock houdt de pki verantwoordelijk voor al die onlusten. In mei 1923 wordt Semaoen gearresteerd, een halfuur na de geboorte van zijn zoon. Zonder proces laat Fock hem naar Nederland verbannen. Maar liefst 13.000 spoorwegarbeiders gaan daarop in staking, maar hun protest wordt hardhandig uiteengeslagen.

Semaoen wordt opgevolgd door Tan Malaka. De pki, zoals de organisatie al snel zou heten, groeit snel. Aanvankelijk zijn de communisten deel van de Sarekat Islam. Maar de kloof groeit en in 1923 komt het tot een definitieve breuk. De pki gaat alleen verder en de Sarekat Islam bloedt leeg.
Op kerstdag 1925 smeedden enkele vooraanstaande pki‑leden nabij Prambanan plannen voor een communistische revolutie. De politieke inlichtingendienst vermoedt echter dat er iets op til is en arresteert verschillende communistische leiders. Andere samenzweerders weten niet dat hun plan verijdeld is en gaan tot actie over. In Batavia vallen ze het postkantoor, de telefooncentrale en de gevangenis aan, in West‑Java vernietigden ze bruggen, spoor‑ en telegrafielijnen, in Surakarta staken ze tabaksloodsen in de fik. Bij de politie, het bestuur en de overheid vielen enkele tientallen slachtoffers, onder wie twee Europeanen. In januari slaat het vuur over naar Sumatra: mijnen, treinen en spoorwegen worden er vernield. Hoewel de revolutie bar slecht is voorbereid, duren de onlusten op sommige plaatsen meer dan een maand. Met harde hand herstelt de overheid de rust. 13.000 mensen worden opgepakt. 4500 van hen worden tot gevangenisstraffen veroordeeld, 7 krijgen de doodstraf, 3 worden effectief opgeknoopt. Ruim 800 mensen gelden als aanstokers en raddraaiers. Diep in het oerwoud van Nieuw-Guinea wordt een plek voor hen vrijgemaakt: Boven Digul. Eens aangekomen in het kamp van Boven Digul, is ontsnappen onmogelijk. 

De wieg van het Indonesische nationalisme staat in Leiden. Daar wordt in 1908 de Indische Vereeniging opgericht, een studentenclub voor het handjevol Indonesische studenten in Nederland. In de jaren twintig zijn er nog steeds maar enkele tientallen leden. Onder hen is de negentienjarige Mohammed Hatta, die sinds 1921 aan de Handels‑Hoogeschool in Rotterdam studeert. Beïnvloed door de moderne islam blinkt hij uit in ernst en toewijding. Hij bestudeert de economische theorieën van Marx en erkent dat het kolonialisme een manifestatie van het mondiale kapitalisme is, maar is niet bereid de goddeloosheid van het communisme te omarmen. In 1923 wordt Hatta penningmeester van de Indonesische Vereeniging. In 1925 verandert deze nogmaals van naam: Perhimpoenan Indonesia (pi). Een jaar later wordt Hatta tot voorzitter gekozen.
De pi is de bakermat van het nationalisme, de derde grote anti‑ koloniale stroming van Indonesië. De studenten in Nederland streven openlijk naar onafhankelijkheid en noemen zichzelf ‘revolutio‑ nair‑nationalisten’. De Perhimpoenan Indonesia is klein, maar haar impact is enorm. Na de communistische revolte op Java en Sumatra is in Nederland de argwaan tegenover de pi zeer groot. Er komen huiszoekingen bij de voornaamste pi‑leden. Hatta en drie anderen worden gearresteerd en na een voorarrest van maar liefst zes maanden zegt hij tijdens zijn proces:

"Dat de Nederlandsche overheersching ten einde loopt, staat voor mij vast. Het is slechts een kwestie van tijd."

De Nederlandse rechter onderkent de magere bewijslast en laat hem vrij.

Ook in Indonesië krijgt het nationalisme een gezicht : Soekarno. In 1926 had hij in de artikelenreeks ‘Nationalisme, islam, marxisme’ zijn analyse van de strijd gegeven. De drie grote stromingen waren uiteengevallen in een ruzie tussen moslims en communisten, terwijl het nationalisme beperkt bleef tot verwesterde, gestudeerde jongeren in de steden. Zo schoot het niet op. Soekarno wil die drie stromingen bundelen tot een grote massabeweging onder aanvoerderschap van het nationalisme. In juli 1927 sticht hij de pni, de Partai Nasional Indonesia, en geeft hij talloze opzwepende speeches. Het succes blijft niet uit: binnen een jaar vertienvoudigt het ledenaantal van de pni in Bandung.

In Nederland volgen de kopstukken van Perhimpoenan de grote Soekarno‑show met de nodige scepsis. Ze vinden hem ijdel, weinig gesofisticeerd, opruiend en vermoeiend. Wat helpt het om de massa op te zwepen, als je haar niet tegelijkertijd opvoedt?

Langzaam begint het te gisten. In oktober 1928 komen honderden nationalistische jongeren in Batavia samen voor een historisch jeugdcongres. Op de slotdag leggen ze een verklaring af die tegenwoordig iedere Indonesiër nog kent als Sumpah Pemuda, de Eed van de Jeugd. Die luidt als volgt: ‘Wij zonen en dochters van Indonesië erkennen één vaderland, Indonesië. Wij zonen en dochters van Indonesië erkennen één volk, het Indonesische volk. Wij zonen en dochters van Indonesië aanvaarden één taal, het Indonesisch.’ Op het eind van het congres zingen de jongeren voor het eerst ‘Indonesia Raya’, een pas gecomponeerd muziekstuk dat later het nationale volkslied zal worden.

In december 1929 wordt Soekarno na huiszoekingen gearresteerd. Gouverneur‑generaal De Graeff weigert hem te verbannen en opteert voor reguliere rechtspraak. Een jaar later wordt Soekarno in Bandung tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld en wordt de pni ontbonden. De Graeff beseft echter dat het niet om enkele ‘rotte appels’ gaat. Hij ziet het maatschappelijke onbehagen, en om Soekarno de wind uit de zeilen te nemen wil hij gematigde nationalisten meer inspraak geven. Zeer tegen de zin van de Europese bovenlaag zorgt hij ervoor dat de Volksraad vanaf 1931 een Indonesische meerderheid krijgt. Het is een eerbare poging om de kloof te overbruggen en een redelijk gesprek weer mogelijk te maken.

Op 31 december 1931 komt Soekarno na twee jaar gevangenis vervroegd vrij. Toevallig is enkele dagen daarvoor ook ene Soetan Sjahrir in Indonesië aangekomen. Hij heeft net 3 jaar in Leiden gestudeerd waar hij lid geworden is van het bestuur van de Perhimpoenan. Enkele maanden later keert ook Hatta als afgestudeerd econoom terug. De drie grootste politieke talenten van hun generatie zitten nu samen op Java. Kan dit triumviraat het tij keren? Kort daarna gebeurt er iets wat hun leven ingrijpend zal bepalen.

Door de crisis moet de overheid drastisch snoeien in haar uitgaven. Het leger wordt afgeslankt van 37.000 tot 31.000 man en ook op de soldij wil men besparen. Na gemor bij de marine wordt de geplande bezuiniging afgezwakt voor Europese soldaten, maar niet voor Indonesische. Op 4 februari breken er onlusten uit op de marinebasis van Surabaya die leiden tot bijna vijfhonderd arrestaties – een vijfde van het inheemse marinepersoneel. Op dat moment ligt het marineschip De Zeven Provinciën voor anker ten noordwesten van Sumatra. De opvarenden vernemen het nieuws over de radio. Uit solidariteit met hun collega’s maakt de bemanning zich meester van het schip op het moment dat de commandant aan wal is. Een aantal Europese schepelingen – vooral matrozen en machinekamerpersoneel – sluit zich aan. De nog aanwezige officieren worden op het achterschip geïsoleerd, het anker wordt gelicht en de terugreis naar Surabaya aangevangen. Er valt geen druppel bloed. ‘Muiterij!’ kopt de koloniale pers. Voor het Nederlandse deel van de bevolking is de maat nu vol. Als zelfs de marine niet meer te vertrouwen is! Met gouverneur‑generaal De Jonge is in september 1931 een meedogenloze hardliner aangetreden. Hij krijgt de volle steun van minister‑president Colijn, die de nationalistische agitators omschrijft als ‘vliegen die de zalf des apothekers bederven’. De Jonge gebiedt een waarschuwingsbom voor de boeg van het muitende schip te droppen, maar het wordt geraakt. Gevolg: 19 doden, 11 zwaargewonden en 7 lichtgewonden. 4 opvarenden bezwijken achteraf aan hun verwondingen. 164 ‘muiters’ krijgen gevangenisstraffen tot achttien jaar. De vijfhonderd aangehouden personeelsleden van de marinebasis in Surabaya worden ontslagen en krijgen extra gevangenisstraf.

En ondertussen houdt gouverneur‑generaal De Jonge een klopjacht op alles wat zich roert. In augustus 1933 laat hij Soekarno inrekenen en zonder enige vorm van proces naar Flores verbannen. Een jaar later stuurt hij Hatta en Sjahrir naar Boven‑Digul; na een jaar worden ze overgeplaatst naar Banda Neira, het nootmuskaateilandje waar Coen in 1621 de bevolking had uitgemoord. Hun politieke organisaties krijgen een volledig vergaderverbod opgelegd. Het nationalisme, de derde grote stroming van Indonesië, is dood en begraven. En daar blijft het niet bij. Binnen enkele jaren maakt De Jonge Nederlands‑Indië tot een politiestaat waar de laatste restjes vrijheid aan banden worden gelegd. In een radiotoespraak declameert hij :

"Wij Nederlanders zijn hier al driehonderd jaar; we zullen nog eens 300 jaar blijven. Daarna kunnen we praten."
 

De jonge Soekarno (1916)