Ga naar de inhoudLuister live op radioplus
Revolusi - Aflevering 3

Revolusi - Aflevering 3Blijf verwonderd!

In de ochtend van zondag 7 december voeren bijna 400 Japanse vliegtuigen aanvallen uit op de marinebasis van Pearl Harbor op de Hawaïaanse eilanden. Dat de aanval op Pearl Harbor een mijlpaal is in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is alom bekend, maar dat die aanval alles te maken heeft met de olievoorraden op Nederlands‑Indië is veel minder doorgedrongen.

Revolusi - Aflevering 3

Al meer dan een halve eeuw is de Japanse economie afhankelijk van geïmporteerde olie. De oorlog die het land sinds 1937 met China voert, maakt die afhankelijkheid alleen maar groter. Slechts enkele dagen na de Duitse invasie in Nederland had Tokio al zijn bestelling aan de Nederlands‑Indische autoriteiten kenbaar gemaakt: of de kolonie zo goed wilde zijn voortaan jaarlijks 1 miljoen ton aardolie aan Japan te leveren – bijna twee keer zoveel als de toenmalige export – en of ze meteen ook enkele zeer grote petroleum‑ concessies kan verlenen. Nu moet het tot directe onderhandelingen komen. Het openingsbod wordt in september 1940 nog wat verhoogd: Japan eiste nu niet langer één maar drie miljoen ton olie per jaar, en dat vijf jaar lang.
H.J.Van Mook, de directeur van het departement Economische Zaken in de kolonie, inmiddels bevorderd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister weet de onderhandelingen meer dan vijf maanden te rekken. Pas in juni 1941 komt zijn antwoord: Nederland kan helaas niet ingaan op de Japanse verzoeken, maar het stond Tokio natuurlijk opnieuw vrij om weer met de particuliere olie‑ maatschappijen en andere exploitanten te gaan praten. Over lef gesproken! 

Meteen na Pearl Harbor verklaart Nederland Japan de oorlog. Japan fronst de wenkbrauwen. Nederland, met zijn zwakke troepensterkte, rekent zich echter rijk vanwege zijn regionale bondgenoten. Eind december komt er zelfs militaire samenwerking in de vorm van het abda‑command, het American‑British‑Dutch‑Australian Command.

Op 11 januari 1942 gaan reeds de eerste Japanse troepen aan wal in Nederlands-Indië. Het Nederlands‑Indische gouvernement tracht zo snel mogelijk de olie-installaties te vernietigen. Hoewel de opmars van de Japanse troepen onstuitbaar is, kan het abda‑command hun enkele gevoelige verliezen toebrengen. Niet de Amerikaanse of Britse schepen, maar de Nederlandse onderzeeërs boeken de spectaculairste resultaten: minstens zes Japanse oorlogsbodems en transportschepen worden door hen zwaar beschadigd of tot zinken gebracht.

Maar op 15 februari gebeurt wat niemand voor mogelijk had gehouden: Singapore, de stad van één miljoen inwoners, de basis van de Britse marine in Azië, het ‘Gibraltar van het Oosten’, waar maar liefst 120.000 Britse, Australische, Indische en Nieuw‑Zeelandse troepen zijn samengebracht, gaat roemloos ten onder. De val van Singapore bezegelt het lot van twee grote koloniale rijken: het Britse en het Nederlandse.
De beslissende strijd voorafgaand aan de invasie van Java was de Slag in de Javazee op 27 en 28 februari 1942. In totaal verliezen 2300 geallieerde soldaten daarbij het leven.
Om een bloedbad te vermijden wordt Batavia op 4 maart tot open stad verklaard. Ook om Buitenzorg zal niet worden gevochten. Het leger verschanst zich in Bandung, de stad in de bergen.
Op 5 maart neemt Japan zonder noemenswaardige gevechten Batavia in. Een dag later valt Buitenzorg en wordt de haven van Surabaya vanuit de lucht bestookt. Met een van de laatste vliegtuigen vertrekt Van Mook, inderhaast tot luitenant‑gouver‑ neur‑generaal benoemd, naar Australië.

Bij de verovering van Nederlands‑Indië maakt Japan ongeveer 110.000 krijgsgevangenen. De Indonesiërs onder hen, zo’n 50.000, worden snel weer vrijgelaten; dat zijn immers bloedbroeders. De Indische en de Europese Nederlanders gaan echter een onzekere toekomst tegemoet. Dat de Nederlandse soldaten krijgsgevangen worden gemaakt, is militair gebruikelijk, maar dat ook Europese burgers worden geïnterneerd, heeft niemand verwacht. Meteen na de inval van maart 1942 worden enkele duizenden hooggeplaatste Nederlanders opgesloten, rechters, politiemensen, bankiers, handelaren en hoogleraren. Een maand later worden de Europese ambtenaren ontslagen en door Indonesische krachten vervangen; er komt ook een verplichte registratie van alle Nederlanders ouder dan zeventien. 
In mei 1942 vinden de eerste razzia’s plaats tegen de Europese bevolking. Werkloze Nederlanders worden geïnterneerd in hotels, scholen en fabrieken. In oktober 1942 worden Europese vrouwen en kinderen overgebracht naar ‘beschermde woonwijken’. Een maand later worden die beschermde woonwijken echter omgevormd tot massale, interneringskampen.
Bijna honderdduizend Europese Nederlanders verdwijnen in Japanse burgerkampen: vrouwen, kinderen, mannen, bejaarden. Nergens in Zuidoost‑Azië zijn er meer geinterneerden dan krijgsgevangenen. Nergens zijn er zoveel kampen nodig: honderden opvangplekken in stadswijken, pakhuizen, gestichten, gevangenissen, kloosters, sanatoria en internaten. Nergens worden vrouwen en kinderen zo systematisch gescheiden van mannen. Ongeveer één op de zes overleeft het niet. De krijgsgevangen worden ook ingezet bij grootste infrastructuurwerken. De aanleg van de Birma‑spoorweg is het grootste bouwproject met dwangarbeiders van de hele oorlog in Zuidoost‑Azië. Japan brengt er 62.000 krijgsgevangenen heen: 30.000 Britten, 18.000 Nederlanders, 13.000 Australiërs en enkele honderden Amerikanen. Onder de krijgsgevangenen van het knil zijn ook Molukse militairen. Daarnaast worden er tienduizenden Aziatische dwangarbeiders, de zogenoemde romusha’s, aangevoerd.

De eerbied voor Japan wordt er hardhandig in geslagen, en alles wat westers was, wordt eruit gebeukt. Nederlandse banken en kranten gaan dicht. Politieke activiteiten worden verboden. In de stad verschijnen houten staketsels met luidsprekers waarop de hele dag Japanse muziek en propaganda is te horen. Overal weerklinkt het Kimigayo, het Japanse volkslied.
Ook de Indische Nederlanders moeten hun plek vinden. Voor de Nederlanders waren ze altijd een tikkeltje te Aziatisch geweest, voor de Japanners blijken ze nu te Europees. Japan hoopt ook hen tot loyale burgers van het nieuwe imperium te kneden, maar bijster veel enthousiasme viel daar niet voor te bespeuren.

In maart worden de nationalistische leiders Hatta en Sjahrir na acht jaar ballingschap vrijgelaten. Ondanks hun striemende kritiek op het Japanse fascisme mag Hatta in Batavia op kosten van de bezetter logeren in het chique Hotel des Indes en rondrijden in een statige DeSoto‑auto. In juli mag zelfs Soekarno vanuit zijn ballingsoord in Sumatra terugkeren naar Batavia! Meteen na aankomst overlegt hij met Hatta en Sjahrir, zijn vroegere rivalen. Hij en Hatta zullen adviseurs worden van het Japanse militaire bestuur. Sjahrir gaat daar niet in mee en blijft bewust onder de radar. Er worden nieuwe nationalistische maatregelen genomen. Het begint in elk geval met de afschaffing van het gehate rassenonderscheid in de rechtspraak. Daarnaast wordt het gebruik van de Indonesische taal sterk aangemoedigd en mogen de bewoners zich voor het eerst ‘Indonesiërs’ noemen. Maar de rood‑witte vlag blijft verboden en niemand van de nationalistische leiders krijgt hoge posten: de Japanse machthebbers zijn nog niet helemaal overtuigd. Hoe betrouwbaar zijn figuren die voor radicale onafhankelijkheid pleiten? Voor een soepele samenwerking met de inlandse bevolking klopt Japan daarom liever aan bij een beweging die minder gevaarlijk schijnt : de georganiseerde islam. De traditionele Nahdlatul Ulama en de hervormingsgezinde Muhammadiyah zijn apolitiek en hebben honderdduizenden leden, ook op het platteland. Nationalisten zoals Soekarno zien het met lede ogen aan hoe vrome moslims zonder politieke visie meer macht krijgen dan zij, ingenieurs, artsen en economen die dromen van onafhankelijkheid.
Wel mag Soekarno op 5 december 1942 een radiotoespraak houden ter gelegenheid van de eerste verjaardag van Pearl Harbor Het is moeilijk het belang van die speech te overschatten.

‘Als deze oorlog niet met een overwinning eindigt, zal al ons streven, al onze hoop, al ons werk aan scherven liggen. Dan zullen wij opnieuw lijden, onderdrukt worden en door het geallieerde imperialisme uitgebuit worden. Enkel een Japanse overwinning kan ons redden, kan heel Azië redden.’

Natuurlijk laat hij zich hier gewillig voor het karretje van de Japanse propaganda spannen – de strijd in de Stille Oceaan was nog steeds niet beslecht – maar daar denkt hij heel pragmatisch over. In zijn dagboek schrijft hij: 

‘De Japanners hadden mij nodig en dat wist ik. Maar ik had hen ook nodig om mijn land voor te bereiden op de revolutie.’

In zijn speech heeft Soekarno het over de noodzaak om ‘een nieuwe samenleving te bouwen in Indonesia’ en kondigt hij een nieuwe organisatie aan. Samen met de econoom Hatta, de pedagoog Dewantoro en de islamleider Mansoer zal hij onder Japans toezicht de Poetera gaan leiden, afkorting van Poesat Tenaga Rakyat (Centrum voor Volks‑ macht). Voor Japan is de Poetera een instrument om met de hulp van inheemse kopstukken de geesten te masseren en het volk te enthousiasmeren voor de gevraagde oorlogsinspanning. Voor Soekarno moet het echter niets minder dan een nieuwe volksbeweging worden, ter meerdere eer en glorie van een toekomstig onafhankelijk Indonesië. Wanneer in maart 1943, bij de eerste verjaardag van de inname van Java, de Poetera eindelijk van start gaat, spreekt Soekarno in het centrum van de stad een massa van naar schatting 200.000 mensen toe.
Op 3 oktober 1943 wordt ten slotte de peta opgericht, afkorting van Pembela Tanah Air, de verdedigers van het vaderland. De peta is een echte inheemse strijdmacht met Indonesische officieren onder Japans bevel. Het is voor Soekarno een onmisbaar werktuig ter voorbereiding van de Revolusi.

Begin 1944 ziet de internationale context er voor Japan niet rooskleurig uit. Duitsland is tot staan gebracht bij Stalingrad, Noord‑Afrika is verloren gegaan en Mussolini heeft zich gewonnen gegeven, terwijl de Amerikanen oprukken in de Stille Oceaan. Uit vrees voor een mogelijke invasie eist Japan een totale mobilisatie van de Indonesische bevolking in de landbouw, de mijnbouw en de infrastructuur.

Maar er komt nog een ander probleem bovenop. Vanaf 1944 wordt rijst op Java verschrikkelijk duur. Na twee zware bezettingsjaren is de economie ontregeld: de export van landbouwgewassen is stilgevallen. Bovendien is 1944 een erg droog jaar, een van de twintig droogste jaren sinds het begin van de metingen in 1787. 
De voedseltekorten op Java tot regelrechte hongersnood. En honger leidt tot hekel. Japan werd aanvankelijk gevreesd en bewonderd, maar stilaan wordt het steeds meer gehaat. In een van de rijkste landbouwgebieden ter wereld komt naar schatting 5 procent van de Javaanse bevolking om van de honger, één op de twintig inwoners. En ondertussen blijft Japan in dat uitgemergelde land een totale mobilisatie van de beschikbare arbeidskrachten eisen. Op Java alleen al moeten minstens tweeënhalf miljoen mensen aan de slag als romusha, sommige schattingen spreken over vier miljoen.

Op verschillende plaatsen komt het volk in opstand tegen het romusha‑systeem, de schofterige omgang met vrouwen, het misbruik van de Koran en het verbod op politiek overleg. Die worden telkens beantwoordt met zware represailles. Soekarno beseft dat zijn populariteit als volksheld afkalft door alle miserie die hij moet billijken. Hij moet de bezetter te vriend zien te houden, zonder het vertrouwen van de inheemse leiders, de jonge intelligentsia en de volksmassa’s kwijt te raken. Het discreet steunen van het verzet is nodig om zijn geloofwaardigheid ook aan die zijde te behouden. Of het nu gevaarlijk was of niet,’ zei hij in zijn autobiografie, ‘ik bleef in het geheim in verbinding staan met de ondergrondse.’ Hij wil bovenal vermijden dat de radicaalste krachten zich overhaast tegen Japan keren; hun energie en bloed kunnen ze beter sparen voor de eventuele komst van de geallieerden, want als die voet aan wal zetten, is het vooruitzicht op een onafhankelijk Indonesië verder weg dan ooit.

Midden april 1944 is het al zover. Generaal MacArthur begint aan de noordkust van Nieuw‑ Guinea met de beschieting van de bestuurspost Hollandia, voor hem een strategisch steunpunt in zijn opmars naar Japan. Met een enorme invasiemacht van meer dan tweehonderd schepen en acht vliegdek‑ schepen bestookt hij eerst het vliegveld. Ten minste honderd Japanse gevechtsvliegtuigen worden vernietigd. Op 22 april 1944 landen ruim vijftigduizend Amerikaanse troepen in de baai van Hollandia – een van de grootste amfibische operaties van de Tweede Wereldoorlog. Gestaag, en meestal met een hoge menselijke tol, behalen de Amerikanen overwinning na overwinning maar Japan geeft zich nog niet gewonnen.

Om de massaal groeiende onvrede het hoofd te bieden in Indonesië, is Japan tot verregaande toegevingen bereid, niet uit menslievendheid, maar uit opportunisme. De honger en de ellende hebben het inlandse verzet aangewakkerd, net op een moment dat Japan zich maximaal op zijn ex‑ terne defensie moet concentreren. Het kan zich geen twee oorlogen tegelijk permitteren. Om de druk van de ketel te halen kondigt premier Koiso op 7 september 1944, in het Japanse parlement een vaag maar drastisch besluit af: Indonesië zou ‘in de toekomst’ onafhankelijk worden. Het kan daarbij dezelfde status krijgen als Birma en de Filipijnen: autonoom binnen Japans rijksverband.
In april 1945 wordt voor het eerst een werkgroep samengesteld die zich zal buigen over de studie van een eventuele onafhankelijkheid. Erg voorwaardelijk nog allemaal. Dat blijkt ook uit de naam: de Commissie ter Onderzoek van de Voorbereidende Maatregelen voor de Onafhankelijkheid. Het woord ‘Indonesia’ komt er niet eens in voor! Maar na de val van Duitsland, en nog maar eens een wissel aan de top in Tokio staat Japan een nieuwe politieke stap toe. Op 28 mei 1945 komt de Commissie ter Onderzoek van de Voorbereidende Maatregelen voor de Onafhankelijkheid voor het eerst in Jakarta samen, terwijl in Surabaya de geallieerden de haven beginnen te bombarderen.
Belangrijker is de vraag welke politieke grondslag de archipel moest krijgen. Op 1 juni komt Soekarno met een voorstel tot een nationale ideologie op de proppen. Didactisch als hij is, stelt hij vijf gewichtige beginselen voor: het behoren tot één staat (nationalisme), het verbonden zijn met de gehele mensheid (internationalisme), het streven naar consensus via overleg (democratie), het billijk verdelen van de welvaart (sociale rechtvaardigheid) en het geloof in God (monotheïsme). Dat geheel noemt hij Pancasila, letterlijk ‘de vijf zuilen of pijlers’ Tot op de dag van vandaag kan elke Indonesiër die beginselen opdreunen.

Maar op 15 augustus verandert de wereldgeschiedenis. Tegen het advies van de legergeneraals in, die vinden dat Japan tot het bittere einde door moet vechten, besluit keizer Hirohito er een punt achter te zetten. Het nieuws over de Japanse capitulatie verrast vriend en vijand. Niet in het minst de nationalistische leiders. Sjahrir vindt dat de onafhankelijkheid meteen moet worden geproclameerd zonder Japanse instemming. Soekarno en Hatta gaan er niet in mee: het proces is nu flink opgeschoten met Japanse steun, hen alsnog tegen de haren instrijken lijkt hen geen goed idee – tenslotte was Japan de enige zekere bondgenoot. Maar ook de gepolitiseerde jongeren van de hoofdstad liggen niet wakker van een ordentelijke overdracht van de macht of de eventuele erkenning van de geallieerden. Het ijzer moet gesmeed terwijl het heet is! Een delegatie van hen komt bij Soekarno thuis op bezoek, en eist dat hij de proclamatie die dag nog zou uitspreken. Er wordt zelfs een mes getrokken, maar Soekarno weet de gemoederen te bedaren.

De situatie is complex: de capitulatie betekent dat Japan in zijn bezette gebieden de status quo moet handhaven, dus op de valreep nog even snel onafhankelijkheid toekennen aan een kolossaal land als Indonesië is formeel uitgesloten. Anderzijds kan de Commissie ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid van Indonesië ook niets meer doen: als formele Japanse instelling is die al haar zeggenschap verloren. En een spontane actie dan? Een louter Indonesisch initiatief? Nee, dat kon evenmin, volgens het Japanse opperbevel in Indonesië. Maar, geven ze toe, dat impliceerde dat het eigenlijk wel kon ‘zonder hun medeweten’! Het verslagen militaire bestuur zal de onafhankelijkheid noch toekennen, noch aanmoedigen, maar simpelweg door de vingers zien. Dit merkwaardige compromis staat de hogere Japanse officieren toe het status‑quobevel uit Tokio te respecteren en toch tegemoet te komen aan de verlangens van de oudere Indonesische nationalisten, terwijl ze het risico op grootschalig bloedvergieten door jongere nationalisten verkleinen. Tot vijf uur ’s ochtends zitten ze te schaven aan de tekst van een rede terwijl Fatmawati, Soekarno’s vrouw, van twee lappen stof nog snel de eerste, officiële nationale vlag stikte. De uiteindelijke tekst was kort, simpel en slim.

Wij, het volk van Indonesië, verklaren hierbij de Indonesische onaf‑ hankelijkheid. Zaken met betrekking tot de overdracht van de macht en andere zaken zullen op een ordelijke wijze en in de kortst mogelijke tijd worden uitgevoerd.’

Zo begint de geschiedenis van het op drie na grootste land ter wereld: op een zonnige vrijdagmorgen in augustus, om tien uur ’s ochtends, met een handjevol vermoeide mensen, bij het hijsen van een zelfgestikte katoenen vlag aan een bamboestok, de aanwezigen zingen het Indonesia Raya… En Nederland weet van niks.